AFW: op de grens van goede smaak en commercie

Iedereen is het erover eens dat Amsterdam Fashion Week heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van het modeklimaat in Nederland. Maar er zijn ook kritische geluiden. Profiel van het mode-evenement dat vanavond weer van start gaat.

Tekst: Bregje Lampe
Foto: Team Peter Stigter

Jan Taminau tijdens de openingssoirée (januari 2011)

Dat de grootste Nederlandse troeven op modegebied, Viktor & Rolf, nog steeds kiezen voor een presentatie in Parijs, zegt veel over de positie van Amsterdam Fashion Week. Viktor & Rolf willen hun werk onder de aandacht brengen bij de meest vooraanstaande types in de business. En die komen niet naar Amsterdam. Hoewel de organisatie van Amsterdam Fashion Week er veel aan doet om het internationale karakter op te vijzelen ook deze week worden weer tientallen journalisten ingevlogen op kosten van de organisatie lijkt zij er niet in te slagen een internationaal vakpubliek te trekken.

Logisch. Sinds wereldwijd zo’n 152 modeweken per jaar worden georganiseerd, beperken de belangrijkste personen in de branche zich tot de belangrijkste modeweken: Parijs, Milaan, New York en Londen. Daarbij is Parijs het platform voor de meest creatieven, de absolute top, in Milaan draait het om zakendoen en een goed product, Londen is een platform voor beginnende creatieven en New York is commercieel.

De Amsterdamse modeweek is en blijft een lokale aangelegenheid. De Nederlandse ontwerpers die hier hun collecties presenteren, stellen internationaal niet zo veel voor. En de shows hier zijn niet van hetzelfde niveau als de shows van Gucci in Milaan of Dior in Parijs om maar wat te noemen.

Op de Amsterdamse catwalk wordt geen modebeeld neergezet dat wereldwijd navolging vindt. Maar dat maakt Amsterdam Fashion Week niet minder belangrijk. In Nederland is de mode goed voor twintig miljard euro omzet en 500.000 banen. En Amsterdam Fashion Week geldt als dé ontmoetingsplaats voor de iedereen die ertoe doet in de Nederlandse mode-industrie.

Niemand in het Nederlandse modewereldje zal zeggen dat de generatie jonge ontwerpers van nu louter dankzij Amsterdam Fashion Week voet aan de grond heeft gekregen, maar iedereen is het erover eens dat de modeweek een belangrijke bijdrage heeft geleverd op het vlak van de aandacht voor het vakgebied. “Dat een ontwerper slaagt, heeft te maken met een combinatie van ambitie, talent en perspectief. Perspectief bestaat voor een deel uit spotlight. Dankzij de structuur die we met Fashion Week hebben geboden, heeft een aantal ontwerpers zich van onbekend tot een household name kunnen ontwikkelen,” zegt James Veenhoff, die medio 2004 de eerste editie van Fashion Week organiseerde.

“Amsterdam Fashion Week is belangrijk geweest voor de presentatie van de Nederlandse modegemeenschap,” zegt Angelique Westerhof, die met de Dutch Fashion Foundation Nederlandse ontwerpers in binnen- en buitenland promoot. “Veel ontwerpers die meededen aan de Fashion Week zijn zelfstandig verdergegaan. Zonder zo’n platform waren ze nu misschien wel in dienst geweest van één of ander groot label,” zegt Westerhof.

Westerhof en Veenhoff doelen op namen als Jan Taminiau, Ilja Visser en Iris van Herpen. Dankzij de grote persaandacht die deze ontwerpers hebben gekregen, kent bij wijze van spreken nu iedereen de deftige japonnen van Taminiau, de slobberbroeken van Visser en de kunstige creaties van Van Herpen. Dat deze drie namen ontbreken op het catwalkprogramma van de Fashion Week die vandaag begint, zegt veel over zowel de ontwikkeling van de ontwerpers als het imago van Amsterdam Fashion Week.

Taminiau en Van Herpen presenteren hun collecties tegenwoordig tijdens de coutureweek in Parijs. Net als Viktor & Rolf willen zij hun werk onder de aandacht brengen op de meest vooraanstaande modepodia. Ofwel: ze zijn de Amsterdamse modeweek ontgroeid. Visser doet niet mee omdat ze zelf wil beslissen waar en wanneer ze showt. “Op dit moment wil ik de organisatie van mijn shows liefst zo veel mogelijk in eigen hand houden. En ik wil showen op een moment dat gunstig is voor inkopers en privéklanten, dat is niet per se tijdens Fashion Week,” zegt Visser, die een jaar geleden een show in het Rijksmuseum deed. “Maar dat ik nu niet meedoe, wil niet zeggen dat ik nooit meer meedoe.

Ik vind het een goed platform en ik heb veel aan Fashion Week te danken.”

Nog een bekende Nederlandse ontwerper die niet meedoet: Hans Ubbink. Ubbink organiseert zijn shows al jaren ongeveer een week voordat Fashion Week begint. Zo gaf hij vorige week maandagavond een show in de gashouder op het Westergasfabriekterrein. “Ik presenteer aan het begin van het internationale seizoen omdat onze klanten ook internationale labels inkopen. Daarnaast geef ik graag een eigen draai aan mijn shows. Bij de Amsterdam Fashion Week ligt de setting al vast.” Ubbink kiest steeds een andere locatie voor zijn shows en presenteerde zijn collecties onder meer in het Amsterdamse Bos, Paradiso en Carré.

Tegenover Visser en Ubbink staat Bas Kosters, die vorig jaar voor het eerst meedeed en vanavond zelfs de openingsshow verzorgt. Jaren laakte Kosters het profiel van Fashion Week, dat volgens hem te corporate was. In plaats van mee te doen aan Amsterdam Fashion Week, organiseerde hij zijn eigen antifashionfeestje, ook op het Westergasfabriekterrein.

“Ik hield me lang bewust afzijdig, maar ik heb het altijd een geweldig platform gevonden,” zegt Kosters, die toegeeft dat Amsterdam Fashion Week hem de kans geeft zich als rebels en alternatief te presenten. Zie het zo: dankzij het eenzijdige karakter van Amsterdam Fashion Week hád Kosters ten minste iets om tegenaan te schoppen. En nu hij een commerciëlere collectie maakt, vindt hij het wel passend om die tijdens Amsterdam Fashion Week te presenteren.

De meeste genodigden zijn maar wat blij dat Kosters zijn collectie vanavond op het Westergasfabriekterrein presenteert. Want het was vooral het programma van de openingsavond de openingssoirée dat de laatste jaren op kritiek van de professionals in de mode kon rekenen. En dat is niet merkwaardig als je bedenkt dat na het wegvallen van de subsidie van de gemeente Amsterdam iets wat in 2008 een verliespost betekende van vijf ton sponsors de kans kregen om het programma van de openingsavond in te vullen.

de show van Bibi van der Velden

Door de modepers wordt nu nog met dedain gepraat over de show van Bibi van der Velden, een parade van luxe materialen en dode dieren geëtaleerd op verder nagenoeg blote modellen, die door professionals werd vergeleken met een circusact, maar op een staande ovatie van de genodigden van Fortis kon rekenen. “Het is waar dat sponsor in het verleden zeggenschap hadden over het programma, maar tegenwoordig gaan we anders met sponsors om,” zegt Carlo Wijnands, die medio vorig jaar werd benoemd tot programmadirecteur.

Wijnands werd aangesteld door Bart Maussen en Hans van der Linden, die de modeweek in 2010 overnamen. Een slimme zet van de eigenaars, want Wijnands kent de Nederlandse modescene van binnen en buiten, omdat hij jaren als talentscout voor HTNK jonge ontwerpers onderbracht bij grote merken en portfoliotrainingen op verschillende academies verzorgde. En, minstens zo belangrijk, Wijnands, die verloofd is met stylist Ruud van der Peijl ook al zo’n bekende naam in het Nederlandse modewereldje heeft een goede reputatie. Wat Wijnands zegt, wordt door de meeste modeprofessionals serieus genomen. Want Wijnands heeft smaak.

“Ik heb alle edities gezien en ik ben altijd heel kritisch geweest, daarom hebben ze me ook gevraagd. Dit is de eerste editie waar ik vrij duidelijk een eigen stempel op heb kunnen drukken. Het was mijn idee om Bas Kosters en Sjaak Hullekes op de openingsavond te programmeren,” zegt Wijnands. En ja, het is ook zijn idee om commerciële namen als Erny van Reijmersdal, Cast Iron, Monique Collignon en Tony Cohen een plaats in het programma te geven. “Ik snap de wens van de pers om alleen maar geïnspireerd te willen worden met nieuwe namen, maar mode is óók business. Ik pieker er niet over om alleen maar niet-commerciële namen op het programma zetten.”

Het programmeren van commerciële labels als Cast Iron en Tony Cohen is simpelweg een kwestie van economische noodzaak. Die merken betalen ruimschoots voor een show en maken op die manier de locatie betaalbaar, zodat kleinere ontwerpers tegen een iets aantrekkelijke prijs kunnen showen.

Met een programma dat inzet op een combinatie van jong talent en gevestigde labels haakt Wijnands aan bij de visie van initiatiefnemer Veenhoff, die tijdens de eerste editie van Amsterdam Fashion Week zinspeelde op een positie als

het coole neefje van New York’.

“New York Fashion Week is nog steeds ons voorbeeld. Die heeft dezelfde formule, met veel shows op één locatie en catwalkshows van zowel starters als gevestigde namen en academies,” zegt Maussen, één van de huidige eigenaren. Kritiek op de modeweek laten de eigenaren gemakkelijk van zich afglijden. Maussen: “Hoge bomen vangen veel wind. Als we naar alle kritieken en goedbedoelde adviezen zouden luisteren, blijft er niets van onze eigen visie over.”

Eerder gepubliceerd op 25 januari 2012 in Het Parool (PS Kunst)
Vanaf 26 januari dagelijks in Het Parool: de Jurk van de Dag

Gerelateerde artikelen: