De hoogtijdagen van Fong-Leng

Modeontwerpster Fong Leng maakte in de jaren zeventig naam met extravagante creaties. Ze blikt terug op de tijdgeest, de feesten, de voorhoede en de creativiteit.

Foto’s: Ivo van der Bent

Een groot feest, met haar werk in de hoofdrol. Zo ziet Fong Leng (in 1938 geboren als Carla Maria Fong Leng Tsang) haar tijd als modeontwerpster het liefst. ‘Ik was altijd bezig met mijn werk. Ik had een groot pand in het centrum van Amsterdam en daar was ik meestal met zo’n tien tot twintig mensen aan het werk. Aan vaste uren deed ik niet. Niemand deed dat. Wie moe was, ging gewoon even slapen in een kamer die speciaal daarvoor was ingericht met grote tapijten en banken. Wie zin had om te eten, kon iets pakken uit de grote pan die altijd op het vuur stond.’
Fong Leng, kind van een Nederlandse moeder en een vader die met de boot uit China was gekomen, volgde een opleiding fotografie aan de kunstacademie in Rotterdam en kwam via haar werk als ontwerper bij een stoffenfabrikant in de mode terecht. Dankzij haar monumentale en fantasievolle modecreaties was ze een begrip in de jaren zeventig en de vroege jaren tachtig. In stof vertelde sprookjes, zo laat haar kleding zich het best omschrijven. Theatraal, uitbundig en extravagant. Denk aan lange jasjurken met applicaties van slangen, tijgers, planten en andere exotische figuren.
Bas Kosters, Mattijs van Bergen, Viktor & Rolf; ze lopen allemaal weg met Fong Leng. Zelfs Dries Van Noten liet in oktober in Parijs goudkleurige plissés zien die herinneringen aan het werk van FongLeng opriepen.
‘Ja, goud. Ik ben dol op glimmend leer. Altijd al geweest. Een van mijn favoriete outfits in mijn jonge jaren was een kort broekje van goudkleurig leer. Dat combineerde ik dan met torenhoge laarzen en een lange, wijd uitlopende jasjurk van pythonleer. Natuurlijk werd ik aangesproken op straat. Mijn kleding werd nog net niet van mijn lijf gerukt. Ik heb wel eens wat verkocht in de kroeg. Aan een jongen die een bod deed op mijn blouse en mijn sjaal. Ik heb toen een flink bedrag genoemd en ter plekke een paar kleren uitgetrokken. Het geld heb ik meteen kapotgeslagen. Zo ging dat. Ik ben met de hele groep – meestal gingen we vanaf het atelier met z’n allen de stad in – gaan dansen en drinken.’

Favoriet was de hoofdstedelijk club Richter, want die had een rolschaatsdisco. Verder een aantal kroegen rondom het Rembrandtplein en later de Roxy en de iT. Legendarische clubs, die Fong Leng vergelijkt met Studio 54 in New York. ‘Kijk, in mijn jonge jaren was ik een feestbeest. Slapen vond ik toen nog overschat. Drugs gebruikte ik niet, maar ik was geen heilig boontje, hoor. Ik dronk graag whisky, was gek op dansen. En ik had het natuurlijk hartstikke druk met al mijn liefjes.’
Ze was maar zelden thuis. Haar appartement op de Apollolaan in Amsterdam-Zuid had niet eens een keuken. Van de keuken had ze een spiegelzaal gemaakt – spiegels vond ze destijds nuttiger dan een aanrecht. Nog steeds trouwens. Hoewel ze al twintig jaar geen mode meer onder eigen naam maakt, heeft ze nooit de tijd genomen zich in het huishouden te verdiepen. Daarvoor houdt diva FongLeng te veel van het grote gebaar.
Ze reist tegenwoordig veel naar Italië en ze maakt min of meer functionele objecten – kamerschermen, kussens, banken – van geappliceerd leer. In haar woonkamer in de Amsterdamse binnenstad, waar een decadente jarenzeventigsfeer hangt, staan zes immense banken van wit leer, die ze zelf heeft versierd met applicaties van bloesemtakken, panters en paradijsvogels. In het midden een lage salontafel met Aziatische beeldjes en tijdschriften en tegen de muur drie grote panelen met applicaties van leer. Ook recent werk. Koffie schenkt ze niet. 

‘Ik ben veel beter met champagne. In de winkel schonk ik ook altijd champagne.’ 

Fong Leng opende in 1971 haar boetiek, Studio Fong Leng - een flagshipstore avant la lettre, in de PC Hooftstraat in Amsterdam. Dat was nog niet de bekende winkelstraat die het nu is. Waar nu Chanel, Gucci en Louis Vuitton zitten, zaten toen een broodjeszaak, een boekhandel en een slagerij.
‘De PC kreeg pas allure toen ik mijn winkel daar opende. Mijn winkel was een sensatie. On-Nederlands. Het was meteen een boegbeeld, want het was de meest futuristische winkel van de stad. Ik heb de verbouwing samen met architect Geert Poolman gedaan, ook zo’n voorloper.’ Het interieur was volledig opgetrokken uit glas en scheepsmetaal. Op zaterdagmiddag was ze zelf in de winkel en trok ze de champagne open. ‘Dat was echt een happening. Voor de deur stond het dan vol met Rolls-Royces. Mensen kwamen voor de gezelligheid, om te kopen en om zaken te doen. Ze namen vaak schotels met kreeft of kaviaar mee. Ik sloot de winkel pas als alles op was. En dan gingen we met z’n allen de stad in.’
Wie haar klanten waren? De hele Amsterdamse avant-garde kwam over de vloer. Mensen die niet bang waren zich extravagant te kleden en die genoeg geld hadden om zich de spectaculaire creaties van Fong Leng te kunnen veroorloven. Haar belangrijkste klant, tevens een van haar beste vriendinnen, was de bekende societydame Mathilde Willink (1938-1977), op dat moment de echtgenote van schilder Carel Willink. Na hun eerste ontmoeting heeft Mathilde Willink de rest van haar leven alleen nog maar kleren van Fong Leng gedragen. ‘Mathilde was natuurlijk de beste ambassadrice die ik me kon wensen. Ze was een verschijning. En zeer, zeer intelligent. Mathilde, Carel en ik waren een drie-eenheid. We zagen elkaar vaak.’

Het was een unieke tijd, zegt de ontwerpster. Een stuk minder saai dan nu. ‘Het modebeeld was ook leuker. Iedereen zag er anders uit. Het was een geweldige periode voor creativiteit. In mijn jeugdigheid deed ik alles wat ik wilde. Zo heb ik tijdens mijn eerste modeshow Jeanne Roos weggestuurd, omdat ze de hele tijd zat te kletsen. Wist ik veel dat zij de moderedacteur van Het Parool was. Ik was erg brutaal, ik ben de beste, zei ik altijd. Ik was mijn tijd ver vooruit. Ik heb het ijzer gebroken voor de mode-industrie in Nederland. De shows die ik heb gegeven, zijn nooit geëvenaard.’
Haar shows waren spektakels. Niks ladyspeaker en een keurige parade van mannequins, maar keiharde popmuziek gemengd met klassieke muziek, dansende modellen en een hoofdrol voor FongLeng zelf. De shows waren toegankelijk voor iedereen die de flinke toegangsprijs (een kaartje kostte ongeveer 150 gulden) wilde betalen. De grootste show gaf ze in 1983, in het PSV-stadion. Twee keer drie kwartier mode op het gras, voor twintigduizend toeschouwers.
In 1987 is ze gedwongen gestopt met haar eigen modemerk. Kan gebeuren, als je je kop boven het maaiveld uitsteekt, zegt ze. Ze was te veel een bedrijf geworden. De genadeslag waren de Olympische Spelen van 1992, waarvoor Amsterdam zich kandidaat had gesteld. Fong Leng investeerde flink in de ontwikkeling van 75 items, zoals joggingpakken, sportschoenen, sokken, tassen, sjaals, brillen en een logo, maar uiteindelijk werd daar niets mee gedaan omdat de Spelen naar Barcelona gingen. ’Het was een heel andere tijd. Maar mijn succes heeft niet met de tijdgeest te maken. Ik ben niets veranderd. Ik maak nog steeds creaties die niemand anders maakt. En ik mis de mode niet. 

Ik vind de modewereld van nu maar saai.’ 


De tentoonstelling ‘Fong Leng - Fashion & Art’ is een initiatief van het Amsterdam Museum, dat een groot aantal stukken van Fong-Leng in bezit heeft. De recentste aankoop bestaat uit zes stukken die conservator Annemarie den Dekker begin dit jaar overnam van vintageverzamelaar Ferry van der Nat. Het bekendste stuk in de tentoonstelling is de luipaardmantel die Mathilde Willink draagt op het schilderij Afscheid van Mathilde van Carel Willink. Maar er zijn ook nooit eerder getoonde creaties te zien, zoals een top van zijde en een grote pofbroek, waarin Willink volgens Den Dekker tapdansles heeft gehad.

Eerder gepubliceerd op vrijdag 13 december 2013 in de Volkskrant (V kunst) 

Gerelateerde artikelen:

, , ,