Dubbelinterview: Fong Leng & Bas Kosters

Zij is één van de bekendste ontwerpers uit de Nederlandse modegeschiedenis. Hij weet precies hoe hij de tijdgeest van nu moet vertalen in zijn ontwerpen. Beiden hebben een typische eigen stijl, wars van modetrends. ‘We willen volgens mij allebei dat mensen vrolijk worden van onze ontwerpen.’

Tekst: Bregje Lampe
Foto’s: Anne Reinke

Eigenlijk praat ze liever niet met de pers, maar Fong-Leng (‘ mijn leeftijd zeg ik never, ergens tussen de 18 en 200 jaar’) wil best wat tijd voor Het Parool maken. Tenslotte opent er volgende week, in een galerie in Maastricht, een expositie met haar nieuwste werk. Geen kleding – daar waagt Fong-Leng zich al sinds 1993 niet meer aan – maar ‘schilderijen’ van vrouwen, opgebouwd uit elkaar gestikte stukjes leer. ‘Tableaus’ noemt zij deze nieuwe kunstvorm zelf.

Met de hedendaagse Nederlandse modescene heeft Fong-Leng niet zoveel op. De laatste twee decennia houdt ze zich bezig met kunst- en interieurprojecten en ze voelt niet de geringste behoefte om zich in de ontwikkelingen in de Nederlandse mode te verdiepen. Van Bas Kosters (30) had ze nog nooit gehoord. Maar een jonge Nederlandse ontwerper ontmoeten, dat lijkt haar wel wat. Helemaal als het gaat om een eigengereid type dat bijna wekelijks van haarkleur wisselt.

Nee, dan Bas Kosters. Natuurlijk heeft hij tijd voor een interview – Kosters is niet voor niets één van de lievelingen van de Nederlandse modepers. En natuurlijk wil hij Fong-Leng ontmoeten. Dolgraag zelfs. Fong-Leng is een van zijn helden. In interviews refereert hij geregeld aan de diva van de jaren zeventig en tachtig. Volgens Bas Kosters is Fong-Leng de beste modeontwerper die Nederland ooit gekend heeft. Eeuwig zonde dat ze ermee gestopt is, vindt Kosters. Als we binnenkomen, steekt Fong-Leng meteen van wal.

Ze maakt Bas Kosters een compliment over zijn witte schoenen – modemensen hebben zo hun eigen manieren om het ijs te breken. De jassen gaan op de grond, Fong-Leng heeft geen kapstok. Ook geen koffiezetapparaat trouwens; in het huishouden heeft ze zich nog steeds niet verdiept. En waarom zou ze? Dat ze niet meer actief is in de mode, wil niet zeggen dat Fong-Leng het niet druk heeft. Ze pendelt op en neer tussen haar huis in Toscane en haar appartement in de Amsterdamse binnenstad en ondertussen maakt ze min of meer functionele objecten – kamerschermen, grote leren kussens, banken – van geappliceerd leer. Met afbeeldingen van indianen, vechtende panters en vrouwen. Decoratief, maar je moet ervan houden.

Haar appartement staat vol met haar eigen werk. Een geweldig decor. De muren in de woonkamer zijn behangen met schilderijen, al dan niet van leer. En de immense witte leren banken zijn voorzien van applicaties in de vorm van bloesemtakken, panters, paradijsvogels, slangen, schelpen en zeefossielen. In de asbak liggen haaientanden, overal liggen fotoboeken. Bas Kosters staat er adem-loos naar te kijken. Hij vindt het mooi, daar niet van. Maar mist Fong-Leng de mode niet? ”Nee, helemaal niet. Ik volg ook niet meer wat er in Nederland gebeurt, er gebeurt zo weinig nieuws. Ik ben tegenwoordig met ander werk bezig en dat bevalt me erg goed. Mijn bedrijf was op een gegeven moment zo groot geworden dat ik ongeveer 400 mensen in dienst had. Aan ontwerpen kwam ik nauwelijks meer toe. Ik was regelmatig op reis en bezig met andere dingen,” aldus Fong-Leng.

Fong-Leng, in een T-shirt van Bas Kosters

Fong-Leng is in 1993 gestopt met het ontwerpen van mode. Daarover wil ze weinig kwijt, behalve dat haar besluit om te stoppen samenhing met de Olympische Spelen van 1992 in Amsterdam. Toen Amsterdam zich kandidaat stelde voor de Spelen, had Fong-Leng de licentie van het beeldmerk. Ze ontwikkelde vijfenzeventig items: joggingpakken, sportschoenen, sokken, tassen, sjaals, brillen, van alles en nog wat. Met al die ontwerpen werd niets gedaan, want de Spelen van 1992 vonden plaats in Barcelona. En dat terwijl Fong-Leng al een flink aantal opdrachten aangenomen had. Ze bleef uiteindelijk zonder afnemers over, maar wel met een aantal schuldeisers.

Tegenwoordig kunnen modeontwerpers vrij makkelijk een beroep doen op financiële steun van fondsen. Zo heeft Bas Kosters twee jaar lang een startersstipendium ontvangen van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst. En mede dankzij de gemeente Amsterdam heeft hij sinds twee maanden de beschikking over woon- en werkruimte op de Wallen. ”Met zo’n startersstipendium hoef je er niet meer bij te werken. Dat is prettig, want omdat ik zoveel tijd in mijn eigen bedrijf heb kunnen steken, is het de afgelopen twee jaar flink gegroeid, ” zegt Bas Kosters.

Subsidie was in mijn tijd ondenkbaar.

Toen ik begon kreeg ik vooral veel tegenwerking. Ik heb grote risico’s genomen en schulden gemaakt om te kunnen realiseren wat ik wilde. Bovendien was mode toen nog een mannenbolwerk, en die mannen vonden mij maar een vreemd meisje met vreemde ideeën. Van Frank Govers kreeg ik nog geen maand. Alleen Dick Holthaus kwam vaak even in de winkel kijken,” zegt Fong-Leng.

”Dat de jonge ontwerpers van nu flink gesteund worden, komt het Nederlandse modeklimaat alleen maar ten goede. Het lijkt erop dat men hier begint te begrijpen dat kunstenaars en ontwerpers belangrijk zijn voor ons land. Er gebeurt eindelijk wat in de Nederlandse modewereld, neem de Amsterdam Fashion Week. Maar het is nog steeds vreselijk kleinschalig allemaal. Nederland is geen modeland, dat vind ik jammer. In Italië en Frankrijk wordt heel veel geld in de mode geïnvesteerd, maar er komt ook heel veel geld uit. Hier bestaan bijna geen grote investeerders die bereid zijn geld in een jonge ontwerper te stoppen. Particuliere investeerders in Nederland kiezen niet voor mode, omdat ze meteen resultaat willen zien. En een modeontwerper heeft tijd nodig om te groeien, het duurt minstens vijf seizoenen voordat een modelabel winst maakt.”

Bas Kosters vertelt hoe hij een jaar geleden in een gesponsorde stand op de jongerenafdeling van een grote modebeurs in Parijs stond. ”Vreselijk deprimerend, ik zat bijna huilend in de auto op de terugweg. Normaal ben ik vrij zeker van mijn werk, maar daar niet. Je wordt in een stramien gedrukt en je moet er ook rekening mee houden dat mensen op een beurs pas gaan inkopen als ze je voor de derde keer zien. Dat is op zijn zachtst gezegd niet echt enthousiasmerend,” zegt Bas Kosters.

Fong-Leng: ”Maar als je niets verkoopt, wil dat niet zeggen dat je niet goed bent. Integendeel. Dat geldt net zo goed voor een modeontwerper als voor een kunstenaar. Dat succes zich dat niet direct in verkoop vertaalt, heeft te maken met de markt, niet met het talent van een ontwerper. ” Of Fong-Leng dan wel meteen massa’s kleding verkocht, wil Bas Kosters weten. ”Ja, mijn label was een instantsucces. Het was helemaal niet moeilijk om publiek te vinden voor mijn kleding, ” zegt Fong-Leng. Voor het gemak laat ze de eerste twee jaar van haar carrière als modeontwerper buiten beschouwing. Fong-Leng begon in 1969 op de Nieuwendijk, in een drugstore, een winkel waar meer jonge ontwerpers hun eigen spullen verkochten. Tussen de schaaltjes, tijdschriften en andere kleding bleef het gewenste resultaat uit.
Het grote succes kwam in 1971, toen ze Studio Fong-Leng opende – een flagshipstore avant la lettre, in de PC Hooftstraat, op nummer 77. ”Dat was een grote stap, die winkel heeft een revolutie veroorzaakt in Amsterdam. Ik heb de verbouwing samen met architect Geert Poolman gedaan, ook zo’n vooroploper. Het was de meest futuristische winkel van de stad, opgetrokken uit glas en scheepsmetaal. Op zaterdagmiddag hield ik jour in de winkel, meestal schonk ik dan champagne. Mensen kwamen voor de gezelligheid, om te kopen en om zaken te doen. Ze namen ook zelf kaviaar en zalm of kisten met champagne mee. Uniek, heel on-Nederlands. Precies zoals ik het voor ogen had. Het is belangrijk dat je precies doet wat je zelf wilt. Je moet je eigen weg volgen en dat houd in dat je soms ‘ nee’ moet zeggen als mensen je benaderen met een voorstel.”

“Ik volg mijn eigen weg,

maar daarbij laat ik me wel leiden door wat er gebeurt,” zegt Kosters. ”Het gaat mij er niet om zo snel mogelijk mijn eigen label uit de grond te stampen, dat is niet mijn ambitie. Ik heb me gerealiseerd dat ik niet zo heel goed pas bij het steeds vernieuwende karakter van de modewereld. Ik geef bewust niet twee keer per jaar een modeshow en ik verkoop maar weinig. Ik geloof in de opbouw van een oeuvre, net als een kunstenaar. Ik heb een bepaalde beeldtaal, met figuren en materialen die ik steeds weer gebruik, zo bouw ik een coherent repertoire op. Ik vind het ook interessant om te zoeken naar samenwerkingsverbanden met bedrijven die me kunnen helpen met het laden van mijn eigen merk, Bas Kosters Studio. Zo heb ik twee jaar geleden voor Bugaboo een kinderwagen ontworpen en nu werk ik voor een groot biermerk. Mode is een rode draad in mijn werk, maar als ik ontwerp, hoeft dat niet per definitie een kledingcollectie op te leveren. Ik zou het bijvoorbeeld ook leuk vinden om voor de Koninklijke Tichelaar Makkum een servies te maken.”

”Precies. De diversiteit van je kunnen is boeiend, dat is juist het interessante van wat jij en ik doen. Het gaat om de drang om te creëren, ” zegt Fong-Leng. ”Ik haal net zoveel voldoening uit het werk dat ik nu maak als uit de kleding die ik gemaakt heb. En ik fotografeer ook nog steeds. ” Fong-Leng werkte, na een opleiding aan de kunstacademie, jarenlang als fotograaf. Nadat ze in 1969 een prijs won met een modefoto, ging ze aan de slag in een stoffenfabriek, waar ze haar eerste collectie ontwikkelde. ”Die collectie werd gepresenteerd op de beurs in Frankfurt en bleek een succes. De stoffenfabrikant heeft mij toen geholpen bij het opzetten van een eigen winkel,” aldus Fong-Leng.

”Het was een heerlijke tijd, je kon doen wat je wilde en in mijn onnozelheid deed ik dat ook gewoon. Zo heb ik tijdens mijn eerste modeshow Jeanne Roos weggestuurd, omdat ze de hele tijd zat te kletsen. Wist ik veel dat zij dé moderedacteur van Het Parool was. Vroeger was ik erg brutaal. Ik ben de beste, zei ik altijd. En ik ben nog steeds brutaal in het creëren van mijn werk. Mijn werk is sprekend, ik hou van groots en meeslepend. Postzegelwerk kan ik niet maken. Je ziet meteen dat het een Fong-Leng is. Of het nou om een jurk of een kamerscherm gaat.”

Net zoals je meteen ziet dat iets door Bas Kosters gemaakt is. Of het nou om een kinderwagen of een sweater gaat. Wie droeg de kleding van Fong-Leng, behalve Mathilde Willink, wil Bas Kosters weten. ”Oh, heel veel mensen. Het was ook lang niet allemaal even extreem. Ik heb ook luxe prêt-à-porter gemaakt, je kunt de commercie niet links laten liggen. Zo heb ik sportkleding ontworpen voor Adidas en spijkerbroeken voor Levi’s. De laatste tijd wordt dat soort samenwerkingen herhaald. En ik geef modeontwerpers die in zee gaan met een bekend merk groot gelijk.

Confectie hoeft niet lelijk te zijn.”

Bas Kosters

Bas Kosters: ”Was het moeilijk om de stap naar confectie te maken? ” Fong-Leng: ”Nee, dat was niet zo moeilijk. Het was nog steeds tamelijk exclusief. Maar het is zeker niet van de ene op de andere dag gegaan. Het is een kwestie geweest van heel hard werken – met dag en nacht werken bedoel ik ook écht dag en nacht werken – en trouw zijn aan je eigen idealen. Ik heb altijd gedaan wat ik wilde doen, maar als je optelt hoeveel ik gewerkt heb, dan heb ik al tien levens achter de rug.”

En toch is er op internet maar weinig over haar te vinden, merkt Bas Kosters – hij heeft vanmorgen nog even gegoogeld – op. ”Dat vind ik nogal tegenstrijdig. Uw werk is van groot belang geweest voor de Nederlandse mode, maar er zijn mensen van mijn generatie die het niet meer kennen omdat ze er niet mee in aanraking komen. Het staat vooral in boeken, en in musea natuurlijk, maar daar gaat ook niet iedereen naartoe. ” Fong-Leng: ”Dat zouden ze wel moeten doen, musea zijn ontzettend inspirerend. Maar voor mij is het geweest, de kleding. Het is prima gedocumenteerd en de stukken zijn in de verschillende musea – vooral het Scheringa Museum heeft een grote collectie (62 stuks, BL) – in goede handen. Er zal wel wat mee gebeuren als ik dood ben.”

In stof vertelde sprookjes, zo laat de kleding van Fong-Leng zich misschien nog wel het beste omschrijven. Theatraal, uitbundig en extravagant. Dankzij haar overduidelijke, eigen signatuur kon Fong-Leng in haar hoogtijdagen, de jaren zeventig en tachtig, de straat niet op zonder dat mensen letterlijk de kleren van haar lijf wilde kopen. Ze draagt nog steeds bijna dagelijks een van haar eigen creaties, en ze wordt nog steeds regelmatig aangesproken. Hetzelfde geldt voor Bas Kosters. Zijn werk is altijd even vrolijk, uitbundig en rijk versierd. En dan zijn flamboyante uiterlijk: Bas Kosters ziet eruit alsof hij van een andere, veel vrolijker planeet komt. Net als Fong-Leng. In het boek Sample werd Bas Kosters twee jaar geleden al getipt als ‘ de nieuwe modester’, door Walter van Beirendonck nog wel. ”Ik heb veel naar uw werk gekeken, ” zegt Bas Kosters. ”Ons werk is heel verschillend, maar op sommige punten is het vergelijkbaar. We houden allebei van kleur, we houden allebei van het samenstellen van een materiaal uit verschillende onderdelen en we willen volgens mij allebei dat mensen vrolijk worden van onze ontwerpen.”

”Precies. Mensen op straat zouden veel uitbundiger gekleed moeten gaan,” zegt Fong-Leng. ”Tegenwoordig kijk ik niet meer op of om als ik op straat loop. Alleen voor Surinaamse dames en hun kinderen draai ik me nog wel eens om, die zien er vaak bijzonder goed uit. Kleurrijk en feestelijk, óók op een doordeweekse dag op de markt. Maar als ik bij een beetje première hier naar de rode loper kijk, denk ik: armoe troef. Eigenlijk vind ik dat de kleding van nu nog het meeste lijkt op kinderkleding. Óf je loopt met een blote buik of rug, of er moet een gigantische ceintuur op de heup. Alsof de ontwerpen allemaal gemaakt zijn voor fragiele, jonge meisjes, oudere mensen trekken dat soort dingen echt niet meer aan. ” Bas Kosters: ”Het lijkt er inderdaad op dat kleding per se strak moet zijn. Veel mensen houden niet meer van kleding die ver van het lichaam af staat. En heerst er hier ook nog een heel erg een cultuur van willen confirmeren, en dus draagt bijna iedereen een spijkerbroek. Dat vind ik wel eens jammer. Zelfs in het uitgaansleven zie ik maar heel weinig mensen die er prikkelend uitzien.”

Fong-Leng: ”Ik denk dat vandaag of morgen de bom gaat barsten. Het moet maar eens afgelopen zijn met die kinderkleding. Als ik in een winkel kom, vraag ik me voortdurend af waarom ze alles toch zo lelijk maken. Maar de twintigers en dertigers van nu kleden zich naar mijn idee steeds beter, die gaan eisen stellen aan de industrie en dan moet er dus wel iets gebeuren. ” Bas Kosters: ”Ik ben benieuwd wat er dan gaat gebeuren. De opkomst van een jongere consument biedt perspectief aan een jonge generatie ontwerpers. Want ontwerpers die ooit jong en avant-gardistisch waren, zoals Jean-Paul Gaultier en Vivienne Westwood, zijn inmiddels dusdanig meegegroeid met hun doelgroep dat je ze met goed fatsoen niet meer avant-gardistisch kunt noemen.”

Fong-Leng: ”Maar Jean-Paul Gaultier en Vivienne Westwood komen niet uit Nederland. Nederland is altijd moeilijk geweest, ik ben wat dat betreft absoluut een boegbeeld geweest dat iets heel anders bracht. En dat sloeg aan. De shows die ik heb gegeven zijn nooit geëvenaard. Neem de show in het PSV-stadion, in 1983: twee keer drie kwartier mode op het gras voor twintigduizend toeschouwers. Ik heb het ijzer gebroken voor de mode-industrie in Nederland. Maar als ik nu lelijke dingen zie, dan denk ik niet: dat kan ik beter. Nee, ik denk: dat heb ik veel beter gedaan. Dat is iets heel anders, een wereld van verschil in slechts twee woorden. Nu is het aan een volgende generatie. Er is talent genoeg in Nederland.”

Eerder gepubliceerd op 1 maart 2008 in Het Parool (modemagazine)

Gerelateerde artikelen:

, , , , ,