Dubbelinterview: Puck en Hans & Klavers Van Engelen

Puck en Hans Kemmink maakten veertig jaar geleden naam met gewaagde, hippe kleding en psychedelische etalages. Niels Klavers en Astrid van Engelen wonnen vorig jaar de Dutch Fashion Award en werken aan de opbouw van hun eigen label. Een ontmoeting.

Tekst: Bregje Lampe
Foto’s: Karoly Effenberger

Hans, Puck, Astrid en Niels (vlnr)

Zet vier modemensen bij elkaar en het gesprek begint als volgt: “Zijden jersey toch?” zegt Hans Kemmink terwijl hij een blik werpt op de jurk van Astrid van Engelen. “Heerlijk materiaal, daar werkten wij ook zo graag mee. Mooi ook, die molensteenkraag.” Puck: “Is het een jurk van jullie eigen label?”
Ja dus. Natuurlijk heeft Astrid voor de gelegenheid een jurkje uit de eigen collectie uit de kast getrokken; ze komt niet dagelijks over de vloer bij Puck en Hans, een begrip in de Nederlandse modewereld.

Puck Kroon (Rotterdam, 1941) en Hans Kemmink (Zutphen, 1947) hadden winkels in Den Haag, Rotterdam en Amsterdam. De winkel op het Rokin was vijfentwintig jaar lang – van 1973 tot 1998 – een van de stijlvolste en standvastigste winkels van de stad. Ze verkochten op elkaar afgestemde kleren, van hun eigen label en van een select groepje buitenlandse ontwerpers.
Tussen modieus en tijdloos in, maar altijd gemaakt van de nieuwste technologische vondsten op stoffengebied. Puck en Hans hebben, zo formuleerden ze het zelf eens, tegen de truttigheid gestreden. Ze doorbraken de grens tussen ‘uitgaanskleding’ en iets voor overdag. Hans: “Bij ons moest het altijd net even iets leuker en mooier van stof zijn dan wat je normaal kon krijgen. En alles had bijzondere details.”

Niels Klavers (Raamsdonksveer, 1967) en Astrid van Engelen (Harmelen, 1970) wonnen eind vorig jaar de Dutch Fashion Award en presenteerden onlangs hun collectie in Milaan. In 1998 won Niels al de eerste prijs op het modefestival in Hyères en werd hij genomineerd voor de NPS Cultuurprijs. Sinds het afstuderen van Astrid, in 1998, presenteren ze zich als duo.
Met het label Klavers Van Engelen lieten ze in totaal acht collecties in Parijs zien, de laatste in 2003. Omdat het financieel niet haalbaar bleek, besloten ze tijdelijk te stoppen met hun collecties. Ze werkten voor een commercieel label, gaven les en deden verschillende freelanceopdrachten, zoals het ontwerpen van bedrijfskleding en het kleden van de Japanse pianist Tomoko Mukaiyama.

Niels weet het nog goed. Hoe hij op twintigjarige leeftijd schoenen kocht in de winkel van Puck en Hans op het Rokin – hij was er speciaal voor naar Amsterdam gekomen met een vriendin. Converse-gympen met pailletten. “Die had ik aan tijdens mijn toelatingsgesprek op de Rietveld, en ik werd door iedereen aangesproken op mijn schoenen. Trots dat ik toen was.”
Hans: “Ja, de paillettengymp, dat was echt een knalsucces.” Puck: “We hebben ze met de hand laten borduren tijdens een vakantie op Bali. In Amsterdam stonden de klanten vervolgens in de rij.”
Nog zo’n anekdote van Niels: “Ik was een keer in Amsterdam aan het winkelen met een vriendin en toen kwamen we Hans tegen op het Spui. Toen we later in de winkel kwamen – je had al naar ons staan kijken – raakten we met elkaar in gesprek. ‘Ik dacht dat jullie uit Londen kwamen, jullie zien er zo leuk uit,’ zei je toen. Met die opmerking waren wij zo ongelooflijk blij, want we hadden echt ons best gedaan en onze favoriete pakjes aangetrokken.” Hans: “Wat grappig dat je dat nog weet. Ik moet zeggen dat ik het nog steeds heerlijk vind om naar leuk geklede mensen op straat te kijken, ik spreek nog steeds wel eens iemand aan.”
En een anekdote van Astrid: “Ik heb begin jaren negentig wel eens een stukje imitatiebont gekocht op een van jullie stoffenverkopen. De jongen die het verkocht zei dat het iets met alpaca was, dat vond ik zo bijzonder dat ik het
nauwelijks durfde te gebruiken.”

Hans komt ze nu nog tegen, mensen die tijdens een van de stoffenverkopen een lapje hebben gescoord. Puck: “Dat was een goed idee, die stoffenverkoop, terwijl we het eigenlijk alleen maar deden omdat de kelder te klein werd om alles te bewaren.” Ze zijn het alle vier eens over het stoffenaanbod anno nu: dat is niet wat het geweest is. Logisch, vinden Puck en Hans. “Want wie gaat nog zelf iets maken als het voor een prikkie te koop is?” zegt Puck. Hans: “Ik heb laatst nog een smoking gekocht van Roberto Cavalli, bij H&M. Een schitterend ding en helemaal niet duur. Voor dat geld ga ik echt niet zelf aan de slag.”
Wat dat betreft is er veel veranderd in de mode. Waar Puck en Hans in hun hoogtijdagen een unicum waren – ‘mensen stonden in het begin met zulke ogen naar onze winkel te kijken’ – wemelt het tegenwoordig van de boetieks in de stad. Puck: “Wij hebben het geluk gehad dat in de jaren zestig zijn begonnen. Alles kon nog veel goedkoper en er was weinig concurrentie.” Hans: “Nu kun je in Amsterdam eindeloos veel buitenlandse kledingmerken kopen. Toen waren er nog geen voorbeelden, een winkel beginnen kon nog zo’n beetje à l’improviste.”
Puck: “Het is nu veel moeilijker om een bedrijf te hebben. Je moet met veel meer dingen rekening houden. Vroeger stond de deur altijd open, er hing niks aan de ketting, we hadden geen alarm.” Hans: “Maar als we nu jong waren, zouden we het zo weer doen hoor. De drive om mooie dingen te maken, zit nou eenmaal in ons.”
Niels: “Jullie hadden de leukste winkel van Amsterdam. Voor mij was er buiten Puck en Hans nauwelijks reden om naar Amsterdam te komen. Ik vond altijd dat het hele Rokin moest zijn zoals jullie winkel.” Hans: “Dat vonden wij ook. We deden echt ons best om er de allerleukste winkel van de stad van te maken. We hadden hele mooie etalages en in de winkel werkten de leukste typetjes. Zo stond er een jongen die in het weekend als travestiet in de iT werkte, overdag bij ons stond, en intussen studeerde voor notaris.”

Puck: Mensen dragen onze kleding nog steeds, na al die jaren. Dat is te gek.”

Puck en Hans Kemminck

Puck en Hans Kemminck

Tegenwoordig is de winkel van Puck en Hans – de vergulde letters staan nog op de gevel – een monument. Er is even sprake
van geweest dat Viktor en Rolf de ruimte zouden overnemen, maar in plaats daarvan kwam er een jongerenreisbureau. Op de zandstenen vloer ligt nu morsig tapijt. Rouwig om het einde van hun carrière in de mode zijn ze nooit geweest. Puck en Hans houden niet van terugblikken. Nooit gedaan ook.
Een archief van de collecties ontbreekt, zelfs de jubileumshow ‘25 jaar Puck en Hans’ was geen parade van succesmodellen. Hun blik is, zoals ze zelf zeggen, gericht op de toekomst. Ze hebben een paar maanden in Australië gezeten, vervolgens hebben ze een gigantisch huis in Italië gekocht, opgeknapt en weer verkocht en de laatste tijd zijn ze druk met tennissen. Trots wijst Hans naar de beker op de schouw; gewonnen tijdens het laatste toernooi.
Puck heeft een jaar of twee geleden nog geëxposeerd met een aantal geborduurde schilderijen. “Leuk, maar dan zat ik daar weer tot twee uur ’s nachts aan te frutten.”
Ze zijn blij dat ze los zijn van de wurgende greep van de seizoenen. Mode, vinden Puck en Hans, is iets voor jonge mensen. Puck: “Je wilt toch iets maken dat zo leuk en zo mooi mogelijk is, zulke dingen worden meestal niet gedragen door mensen van zestig. Veel mensen van mijn leeftijd interesseert het geen bal hoe ze erbij lopen, dan zou je van die gezapige kleding moeten maken. Dat is niets voor ons. Ik wil niet zeggen dat mode per definitie alleen voor en door jonge mensen gemaakt moet worden, maar wij deden graag een stap opzij voor de jonge garde.”

Puck en Hans volgen nog steeds wat er gebeurt in de modewereld. Nog voordat hij officieel open was, was de winkel van Daryl van Wouw ze al opgevallen. Een paar maanden geleden waren ze nog aanwezig op de afstudeershow van de Gerrit Rietveld Academie. “Daar zagen we wel een paar mooie dingen voorbijkomen. Maar ik vind het opvallend dat veel studenten niet weten hoe ze een kledingstuk moeten maken, terwijl ze wel heel mooie presentaties in elkaar kunnen zetten,” zegt Puck. Typisch iets van nu, vindt Hans. “Mode gaat niet meer alleen om kleding maken, het is veel breder geworden. Neem styling, dat is tegenwoordig een serieus beroep.”
Niels: “Mode is ook iets anders geworden. Het is glamour. Ik heb het idee dat nog maar heel weinig mensen beseffen dat mode vooral een kwestie van keihard werken is, waarbij het gaat om het maken van mooie dingen.”
Hans: “Het is een heel rare wereld, de modewereld. Tegenwoordig draait het allemaal om merken, dat merkgebeuren is volledig doorgeschoten als je het mij vraagt. Alsof je per se iets van Gucci of Prada moet hebben. Onzin. Ik vraag me af of dat soort merken nu nog bestaat omdat ze zelf zoveel verkopen of dat ze bestaan bij de gratie van mensen die het kopiëren. Ik draag tegenwoordig bewust merkloze kleding. Kennen jullie die winkel Muji in Parijs? Ben ik fan van, want daar zetten ze tenminste geen merklabel in de kleding.”
Puck: “Mode is in de mode, er zijn nu zoveel dingen aan mode gelieerd. Tijdschriften, televisieprogramma’s, kranten, websites, noem maar op. Vroeger had je alleen de Avenue, en dat ging over meer dan mode. Wij waren allang blij als één Nederlandse krant iets over ons schreef. Mode is nog steeds hartstikke leuk, maar het is een industrie geworden. Wat dat betreft snap ik wel dat onze dochter (fotograaf Carmen Kemmink, red.) het bedrijf liever niet wilde overnemen. Ze heeft een modeopleiding gedaan, ze was hartstikke goed, ze heeft zelfs een paar seizoenen voor ons ontworpen, maar ze wilde iets doen waarbij ze niet van heel veel mensen afhankelijk is. Daarom is ze de fotografie in gegaan, en daar is ze ook heel erg goed in.”

Hans: Dat merkgebeuren is volledig doorgeschoten. Ik draag tegenwoordig bewust merkloze kleding.”


Niels Klavers en Astrid van Engelen zouden niet anders dan de mode willen. Het verlangen naar hun eigen modelabel is gedurende de afgelopen jaren, waarin ze achter de schermen geopereerd hebben, alleen maar heftiger geworden. Maar het is moeilijk om te concurreren met grote merken die een gigantisch marketingbudget in hun shows steken.
Als beginnend ontwerper is het ook niet makkelijk je ontwerpen geproduceerd te krijgen. Hoe deden Puck en Hans dat eigenlijk? “Voor ons was het ook lastig. We verkochten de kleding van andere merken deels om te voorkomen dat de winkel op een bepaald moment helemaal leeg zou zijn. Echt, ik heb nu nog nachtmerries van spullen die niet op tijd af zijn,” zegt Hans.
Puck: “Van de Nederlandse textielindustrie was in de jaren tachtig bijna niets meer over. We lieten dingen maken in België en in Delft hadden we een coupeuse die alles met chiffon deed. We lieten nooit veel maken; soms maar zes stuks, soms dertig, nooit meer dan honderd. Maar produceren werd steeds duurder, en het is nooit onze opzet geweest de winkel vol te hangen met jasjes van meer dan duizend gulden.” Hans: “We deden ook veel zelf. Ik stond gerust de hele zondag in de kelder T-shirts te verven. Tie-dye hè, dat was het helemaal in de tijd.”
Puck en Hans hebben altijd alles zoveel mogelijk in eigen hand gehouden. Niet te vergelijken met een bedrijf als Jean-Paul Gaultier, dat mensen in dienst heeft voor de publiciteit, voor de accessoires, voor de productie en voor de marketing. Ook niet te vergelijken met Klavers en Van Engelen, die nu al mensen hebben die de publiciteit regelen. Maar waar Klavers en Van Engelen zich op de buitenlandse markt richten, zijn Puck en Hans altijd in Nederland gebleven. Toegegeven, ze hebben ooit wel met de gedachte gespeeld om naar Parijs te gaan. Puck: “Maar de panden waren daar zo gigantisch duur. En Carmen was toen een jaar of acht en we bedachten ons dat het voor een kind helemaal niet leuk is om in Parijs te wonen en vriendjes en vriendinnetjes uit Nederland te moeten missen. Uiteindelijk besloten we om het maar niet te doen. Als je zoiets wilt, moet je geen relatie en geen kind hebben.”

Ze hebben één keer een ‘uitstapje’ naar het buitenland gemaakt, in 1978. Na deelname aan een beurs in New York werd de kerstetalage van Bloomingdale’s met hun kleding ingericht en verkochten ze volop aan alle beroemde New Yorkse warenhuizen. Het ging goed, maar Puck en Hans konden het niet aan. Ook geestelijk niet. Steeds als er een doos met kleding naar Amerika gestuurd moest worden, zaten ze ‘te hannesen met alle papieren die daarvoor ingevuld moesten worden’. “Op die manier ben je niet meer bezig met kleding maken. En dat voor die paar centen. Wij zijn geen zakenlui, wij gingen liever op zondag wandelen in het dierenpark,” zegt Hans. Puck: “Wij zijn heel tevreden met Nederland. Dat we altijd hier hebben gezeten, heeft ons een beetje realistisch gehouden.” Dat hun werk in het buitenland zeer werd gewaardeerd, werd duidelijk door de toekenning van de prestigieuze Fil d’Or in 1978.

Klavers en Van Engelen gaven een paar maanden geleden een show in Milaan. “Voor ons is Nederland alleen te klein om bestaansrecht op te bouwen,” zegt Astrid. Ze hebben geen eigen winkel, dat is te duur. Op dit moment hangt hun kleding bij Van Ravenstein in Amsterdam en Coming Soon in Arnhem. Niet dat andere winkels geen belangstelling hebben, maar het is pas hun eerste verkoopseizoen sinds hun come back en de ontwerpers doen het liever rustig aan. “Stel dat we in Nederland vijf winkels hebben, dan nog hebben we niet genoeg afzetmogelijkheden. Met zo’n hele kleine productie zijn we niet interessant voor stoffenhandelaren en fabrikanten.”

Niels: Voor mij was er buiten Puck & Hans nauwelijks reden om naar Amsterdam te komen.”

Niels Klavers en Astrid van Engelen

Hans: “Eigenlijk hebben jullie gewoon iemand nodig die het allemaal begeleidt op zakelijk vlak.” Niels: “Precies, maar we willen niet zomaar met iemand in zee gaan, we willen ook dat iemand ons product representeert.” Astrid: “Het is tien jaar geleden zó snel gegaan, van de ene op de andere dag hing de kleding in de etalage van Colette. Nu willen we het stap voor stap doen.” Niels: “Ik kwam toen net van de academie. Ik had géén idee. Dan waren er mensen uit Japan, ‘kom maar langs’ zei ik. Bleek later dat het hele belangrijke mensen waren.”

Nee, dan nu. Stap voor stap is het devies. In Milaan waren ze op uitnodiging van de organisatie van Milaan Fashion Week, die met hun werk in aanraking kwam nadat ze de Dutch Fashion Award gewonnen hebben. “We zijn gevraagd om twee seizoenen te showen en op een beurs te staan. Op die manier proberen ze ons in contact te brengen met fabrikanten en producenten,” zegt Astrid. Vooralsnog is nog even afwachten wat de presentaties in Milaan concreet gaan opleveren.

“Ik zal jullie eens wat zeggen. Ik weet dat ik het zelf nooit zo gedaan heb, maar die jurk die je nu aanhebt, Astrid, dat kun je gerust een klassieker noemen. Die kunnen jullie ieder seizoen opnieuw uitbrengen,” zegt Hans. Moet je horen wie het zegt. Toen Puck en Hans eind jaren tachtig een stretchbroek hadden gemaakt die ineens dé broek bleek – iedereen moest zo’n ding hebben – en klanten het seizoen daarop weer om die broek vroegen, hebben ze er tenslotte maar wat variaties op gemaakt. Hans: “Die broek letterlijk herhalen, ging wel heel erg tegen ons gevoel in. Onbewust was onze filosofie die van het neerzetten van iets nieuws. Wij wilden nooit herhalen. Ik schaamde me ook een beetje als ik met een oud ding aan kwam zetten.”
Niels: “Ja, dat hebben wij ook.” Hans: “Maar je hebt toch altijd één ding dat tien keer beter verkoopt dan de rest – en ik kan me voorstellen dat het de jurk van Astrid is – en het is eigenlijk helemaal niet gek om daar gebruik van te maken. Noem het commercieel, maar ik heb er dertig jaar over gedaan om hierachter te komen. Bovendien: Jean-Paul Gaultier doet het ook, die hangt gewoon een label met Gaultier Classique in. Klinkt wel chic: Klavers en Van Engelen klassiek.”

Over klassiek gesproken: dat is hun eigen kleding inmiddels ook. Op marktplaats wordt grif geboden op originele ‘Puck en Hansjes’. Niels en Astrid hebben het zelf gezien, tijdens een voorbereidende google sessie. “Joh, dat zetten we er zelf op om geld te verdienen,” grapt Hans. Van de winkel hebben ze nauwelijks overgehouden, toen ze de deur dichttrokken, was het op. Maar de kleding is er nog. Puck: “Ik word nu nog op straat aangesproken door mensen die kleding van ons hebben. Dat hebben ze al die jaren bewaard en ze dragen het nog steeds, dat is te gek.”

Eerder gepubliceerd in maart 2008 in Het Parool (modemagazine)

Gerelateerde artikelen:

, , , , , , , , ,