Fashion Weak

Het catwalkprogramma van de Amsterdamse modeweek is niet sterk dit jaar. Ooit diende het als springplank voor jonge en experimentele ontwerpers, nu is het commerciëler dan ooit. 

David Laport tijdens AFW (foto: Branko Popovic)

Op de openingsavond van Amsterdam Fashion Week, waar traditioneel net teveel tijd overblijft om champagne te drinken, wordt al sinds de start in 2004 stevig gemopperd. De typisch Hollandse polderglamour is het mikpunt, en er wordt geklaagd over het ontbreken van echt grote namen. Maar dit jaar is er meer aan de hand. Wat ooit werd opgezet als platform voor jong talent, helt nu dodelijk over naar de commerciële merken. Die altijd al op het programma gestaan om het evenement betaalbaar te houden, maar ditmaal hebben ze de overhand. Oorzaak, volgens insiders: sinds vorig jaar ontbreekt het aan een programmadirecteur.
‘Fashion Week zou een overzicht moeten geven van de pluriformiteit van het Nederlandse modelandschap. Het programma is nu te eenzijdig, het is niet wat wij hadden gehoopt,’ zegt Peter Leferink, lid van de Raad van Advies. De Raad van Advies maakt zich zorgen over de toenemende invloed van sponsoren op het programma. Zo zou de in societykringen geliefde ontwerper Monique Collignon haar plaats op de openingsavond grotendeels te danken hebben aan de medezeggenschap van hoofdsponsor Mercedes.
Tijdens de zes edities dat de vorige programmadirecteur, Carlo Wijnands, het voor het zeggen had, lag de nadruk op experiment en jong talent. Nu is de modeweek commerciëler dan ooit. Op het programma staan onder meer Oilily, Tony Cohen, het Zweedse merk Army of Me, het Amerikaanse merk House of Byfield en shows met raadselachtige namen als ‘Carribean Fashion Spot’ en ‘Political Catwalk’. Ondanks het feit dat het duo Spijkers en Spijkers de nieuwe collectie van hun tweede lijn Sis op de catwalk presenteert en de beste eindexamenkandidaten hun werk laten zien tijdens de jaarlijkse Lichting show, geeft het vijfdaagse programma volgens critici geen goed overzicht van de stand van zaken in de Nederlandse mode.
Daarvoor ontbreken teveel meer en minder bekende namen. Denk aan Claes Iversen, Dennis Diem, Sjaak Hullekes, Francisco van Benthum, David Laport en Liselore Frowijn. Zij hebben geen geld, of vinden het niet het juiste moment. De grote Nederlandse modetroeven Jan Taminiau en Iris van Herpen, die allebei in Amsterdam debuteerden, doen ook niet mee. Dat is logisch: zij zijn Amsterdam ontgroeid en hebben een plek veroverd in Parijs, waar met name Van Herpen veel aandacht krijgt van internationaal gezaghebbende modeprofessionals.

Het contract met Wijnands, die in 2011 op freelance basis werd aangesteld, werd in maart 2014 niet verlengd omdat beide partijen er financieel niet uitkwamen. Sindsdien mist de organisatie iemand die de Nederlandse modescene goed kent en die zich specifiek bezighoudt met de creatieve en inhoudelijke invulling van Fashion Week. Bart Maussen en Hans van der Linden, die de rechten op de modeweek in 2010 overnamen van Piet de Haan en sindsdien eigenaar zijn van het evenement, hebben geen achtergrond in de mode.
Maussen is reputatiestrateeg en Van der Linden is evenementenorganisator. Zij houden zich op de achtergrond bezig met de positionering en de financiering van de modeweek. Toen Wijnands vorig jaar vertrok, besloten ze in overleg met de Raad van Advies om niet direct een vervanger aan te stellen maar om zelf een voorselectie van deelnemende ontwerpers te maken en die vervolgens voor te leggen aan de Raad van Advies.
De zeskoppige Raad van Advies is een onafhankelijk orgaan dat toeziet op de creatieve visie van het evenement en zowel gevraagd als ongevraagd advies geeft. Leden zijn bekende Nederlandse modeveteranen: stylist Frans Ankoné, ontwerper en docent Peter Leferink, professor José Teunissen, catwalkfotograaf Peter Stigter, producer Joanne Schouten en Liesbeth in ’t Hout van Fashion Council NL.
De Raad van Advies was dit keer zo ontevreden over het programma en de gebrekkige communicatie daarover, dat ze in de aanloop naar Fashion Week hebben gedreigd om hun handen ervan af te trekken. ‘Maar na een kritisch gesprek met de directie hebben we de ruimte gekregen om op de slotavond een aantal onderdelen toe te voegen,’ zegt Leferink. Volgens directeur Rob Zomer werd de soep niet zo heet gegeten als dat-ie werd opgediend. ‘We hebben na een vruchtbaar gesprek besloten om Peter als curator van de slotavond te vragen,’ zegt Zomer, die twee jaar geleden door Maussen en Van der Linden werd aangesteld met de taak om meer sponsors te vinden.
Dankzij de inspanningen van Leferink hebben Jef Montes en Jazz Kuipers – beide ontwerpers gelden als een belofte – op het laatste moment toegezegd om een show te geven. Daarnaast zijn installaties te zien van onder meer Maison the Faux, Schueller de Waal en Lisa Konno. ‘Niet iedere presentatie hoeft een catwalkshow te zijn. Door ruimte te geven aan alternatieve presentatievormen zoals een installatie, krijgen ook jonge ontwerpers met weinig geld de kans om mee te doen.’

Avelon tijdens AFW

Een van de belangrijkste aanbevelingen van de Raad van Advies is dat de directie op zoek moet naar een nieuwe programmadirecteur. ‘Het is cruciaal dat er iemand zit die creativiteit en commercie aan elkaar kan koppelen,’ zegt Leferink. Anders krijgt commercie al snel de overhand. Maussen, Van der Linden en Zomer zeggen dat ze al sinds maart op zoek zijn naar een nieuwe programmadirecteur. ‘Maar het is een belangrijke plek, die vul je niet zomaar in. We zijn momenteel in gesprek met een aantal zwaargewichten uit de mode,’ aldus Maussen.
De kritiek dat het programma van Fashion Week te commercieel en te eenzijdig is, laat de directie gemakkelijk van zich afglijden. ‘De shows op Fashion Week zijn een resultante van de staat van het modelandschap. De vraag is of een programmadirecteur dat had kunnen voorkomen,’ zegt Zomer.  ‘Er is altijd kritiek, daar zijn we zo langzaamaan immuun voor geworden. Wij zijn de enige modeweek ter wereld die niet wordt gesubsidieerd door de overheid. We moeten het hebben van sponsoring, dat is in deze tijd niet altijd even makkelijk,’ zegt Maussen. ‘We hanteren al jaren dezelfde sandwichformule, die labels die zichzelf bewezen hebben, combineert met jong talent. Want om talent te faciliteren, hebben we de commerciële partijen hard nodig. Anders krijgen we de begroting nooit rond.’
Het feit dat het catwalkprogramma van Fashion Week Nederland niet wordt gesubsidieerd, is niet het enige verschil met de gevestigde modeweken in Parijs, Londen, Milaan en New York. In die vier steden gaan inkopers na de shows naar de showrooms om bestellingen te plaatsen. Simpel gesteld blijven door het ontbreken van handel, alleen entertainment en publiciteit over; bij Fashion Week zijn dat nu doelen op zich geworden. Zo zijn sinds drie jaar ruim vijftien procent van de toegangskaarten voor de shows te koop, terwijl vrijwel alle modeweken ter wereld besloten evenementen voor vakmensen zijn.
‘Het feit dat hier nauwelijks wordt gehandeld, is een punt van zorg. Fashion Week zou geen eindpunt van creativiteit moeten zijn, het moet juist het begin van een bloeiende business zijn,’ zegt Zomer. Volgens Zomer heeft de directie van Fashion Week een aantal informele gesprekken met de directie van modevakbeurs de Modefabriek gevoerd, om te kijken wat beide partijen voor elkaar zouden kunnen betekenen. Daarnaast is een half jaar geleden een speciaal programma voor inkopers opgezet, dat ervoor moet zorgen dat zij vaker naar de shows komen kijken.
Dat tijdens Fashion Week nauwelijks wordt gehandeld, komt omdat grote namen niet structureel meedoen. Als bekende modemerken al een show geven – zoals eerder Gsus, Hunkemöller en Cold Method en dit keer Oilily – is dat meestal eenmalig. Voor hen is deelname vooral een manier om veel publiciteit te genereren en hun relaties op een avondje uit te trakteren. De jonge ontwerpers die meedoen, zijn over het algemeen nog niet op het niveau dat ze in grote hoeveelheden aan winkeliers kunnen leveren – mochten ze die vraag überhaupt krijgen. Voor hen is Fashion Week een belangrijke springplank.
Maar door de nadruk die momenteel ligt op commerciële shows dreigt de functie van springplank verloren te gaan. Het is logisch dat de Raad van Advies daar bezorgd over is, en dat er veel wordt geklaagd. Want hoewel het te simpel is om te stellen dat Jan Taminiau en Iris van Herpen dankzij Fashion Week zijn geslaagd, heeft het evenement de afgelopen jaren wel een hoop Nederlandse ontwerpers gestimuleerd om voor zichzelf te beginnen. Zo heeft Fashion Week een belangrijke bijdrage geleverd aan de Nederlandse mode.
‘Dat willen we blijven doen,’ benadrukt Maussen. ‘Daarom zijn we onder meer bezig met de opzet van een fonds, gekoppeld aan een eigen opleiding van twee jaar die is gericht op zakelijke kennis. Met dat fonds willen we participeren in de carrière van veelbelovende ontwerpers. Nederland heeft absoluut talent, wij willen dat talent zo lang mogelijk hier houden en laten zien dat Nederland kwaliteit levert en kan meedraaien op internationaal niveau.’

Het coole neefje van New York
De eerste editie van Amsterdam Fashion Week vond plaats in juli 2004. Ook toen stonden uit economische noodzaak zowel shows van jong talent als gevestigde labels op het catwalkprogramma. Grote merken betalen ruimschoots voor een show en maken op die manier de locatie betaalbaar, zodat kleinere ontwerpers tegen een iets aantrekkelijke prijs kunnen showen. Initiatiefnemer James Veenhoff, nu een van de drijvende krachten achter de Amsterdam Denim Days, zinspeelde tijdens die eerste editie op een positie als ‘het coole neefje van New York’.


Eerder gepubliceerd in de Volkskrant (V katern) op 3 juli 2015

Gerelateerde artikelen:

, , , , ,