Interview: Alexander van Slobbe

Alexander van Slobbe (46) was met zijn mannenmodelabel So bijzonder populair in Japan. Een jaar geleden deed hij afstand van zijn oosterse succes. In Amsterdam opende hij een exclusieve winkel met Orson+Bodil, het vrouwenlabel waar hij tien jaar geleden juist mee was gestopt. ‘Eigenlijk ben ik hartstikke dol op Nederland, volgens mij ben ik zo chauvinistisch als de pest.’

Tekst: Bregje Lampe
Foto’s: Karoly Effenberger

Alexander van Slobbe

Uw label, Orson+Bodil, schitterde vorige week door afwezigheid tijdens de Amsterdam Fashion Week.
“Ik gaf bewust geen show. Ik heb al zo veel shows gegeven. Het kost hartstikke veel geld en het is zo’n momentopname. En er is niemand die na afloop zegt: ‘ Goh, wat zat die mouw mooi aan dat jasje, en wat een mooie knopen’. Een grote show past ook nog niet bij Orson + Bodil, dat is een kleinschalig label. ”

Liever klein in Amsterdam dan groot in Japan?
“So werd in Japan zo groot, dat ik er steeds meer van vervreemd raakte. Het was erg leuk om te doen, maar na tien jaar verkocht het merk zichzelf. Ik begon me af te vragen wat het voor mij nog interessant maakte. Bovendien had ik steeds minder binding ermee. Die kleding was bedoeld voor jongeren en ik vond dat ik te oud werd om T-shirts voor achttienjarigen te bedenken. ”

Een midlife crisis?
“Misschien wel, het is tenslotte een persoonlijk verhaal. Toen ik 42 was, dacht ik wel: hoe wil ik met mijn leven verder? Waarom heb ik dit vak ooit gekozen? Het vak vond ik nog steeds heel erg leuk. Maar het gaat mij om het ontwerpen, ik had het gevoel dat het daar bij So steeds minder om draaide. Het label was begonnen als een nevenproject, maar op een gegeven moment had ik nergens anders meer tijd voor. Minimaal acht keer per jaar zat ik in het vliegtuig naar Japan, ik hoorde mezelf steeds dezelfde verhalen vertellen, ik was zelf bijna een product geworden. Daar had ik geen zin in. Ik wilde weer écht ontwerpen. Daarom ben ik een eigen winkel begonnen. Deze werkwijze is zoveel directer, ik heb weer echt contact met de klant. ”

In Amsterdam opende u een winkel op het Westergasfabriekterrein. Ik neem aan dat de klantenstroom daar gering is?
“Ja. We zitten nu trouwens even aan de Herengracht, omdat we aan het verbouwen zijn. Maar ook daar is het inderdaad geen PC Hooft, men loopt niet continu binnen. Dat kán ook niet, want ik heb nog ander werk. ”

Zoals het hoofddocentschap in Arnhem.
“Toen bekend werd dat ik ging stoppen met So, werd ik meteen benaderd door de academie. Daar heb ik niet lang over getwijfeld want ik heb zelf een goede tijd gehad in Arnhem. Het is natuurlijk niet echt een bruisende stad, maar dat is juist een deel van het succes van de school. Je richt je automatisch op je studie, want veel meer dan met je vrienden in Podium hangen – zo’n beetje de enige aardige kroeg – kun je in Arnhem niet.”
“Ik denk dat de meeste studenten pas achteraf blij zijn dat ze in Arnhem hebben gezeten. Dat merkte ik tijdens de Biënnale, onlangs in Arnhem: er heersen een bepaald kwaliteitsbesef en een saamhorigheidsgevoel. Dat geldt trouwens ook steeds meer voor de hele Nederlandse mode-scene.”

Daar bent u vast blij mee, want als ontwerper heeft u erg gepleit voor meer aandacht voor de Nederlandse mode.
“Ik was destijds de eerste die internationaal succes had. Er was hier helemaal niets, dus ik kon me alleen maar verhouden tot buitenlandse ontwerpers. In België begonnen toen de Zes van Antwerpen, daar was ik best jaloers op. Ik dacht: ja, die hebben elkaar, er ontstaat daar tenminste iets. ”
“Dat gebeurt hier nu ook. Wij moeten het waarschijnlijk op een andere manier doen, maar er zijn inmiddels heel wat Nederlandse ontwerpers die goed aan de weg timmeren en die zich kunnen spiegelen aan elkaar. Bovendien zijn steeds meer mensen bezig de Nederlandse mode tot een succes te maken. Of dat nou met een Biënnale in Arnhem is, of een Fashion Week in Amsterdam. Feit is dat er iets aan de gang is. Ineens heeft iedereen het over ‘ het modeklimaat’.”

Vindt u het jammer dat u vroeger niet de kansen had die jonge ontwerpers nu hebben?
“Helemaal niet. Het is ook wel mijn kracht geweest. In het buitenland werd ik met open armen ontvangen omdat ik de eerste en de enige Nederlander was. Dat sloeg aan, in de mode is iedereen nu eenmaal per definitie op zoek naar iets nieuws.”

Wordt u niet moe van al die hypes?
“Hypes zijn juist nodig. Die houden je scherp. Dat is ook het systeem van de mode: het is heuvel op en heuvel af. Elk seizoen wordt wel weer een merk tot hét merk gebombardeerd. Ik ben nog steeds niet magazine-moe of wat dan ook, ik ben nog altijd benieuwd naar wat er allemaal gebeurt. Maar ik weet nu wel dat ik meer een vormgever ben dan een modeman.”
“Orson+Bodil is heel klassiek. Het heeft niet de intentie in te spelen op een hype. Het moet goed zitten en het is gemaakt van mooie materialen. Het is niet goedkoop, maar het gaat lang mee en het komt ook niet in de uitverkoop. Dat is een bescherming voor mijn klanten. Als ze net 1800 euro voor een jasje hebben betaald en dat vervolgens voor de helft van de prijs zien hangen, is dat niet leuk.”

U heeft wel eens gezegd: ‘Als de vernieuwing uitblijft, is het afgelopen met de mode.’ Is het al zo ver?
“Nee, er wordt nog steeds vernieuwd. Wellicht op een andere manier dan vroeger, maar een vernieuwing kan van alles zijn. Het kan een techniek zijn, een nieuwe vorm of een ander materiaalgebruik.”
“Een Japanse journalist die in België woont, vertelde me een aantal weken geleden over de verschillende categorieën die hij zag in de mode. Je hebt de fashion directors, die werken als een artdirector: ze maken gebruik van het merk en bepalen de sfeer eromheen, een beetje zoals Tom Ford dat voor Gucci deed. Dan heb je de mode- dj’s, een soort stylisten, die shoppen en combineren. En ten slotte de creators, die het ontwerpersschap als uitgangspunt nemen. Ik geloof wel in deze indeling. Dit is mode nu. Het beeld van een modeontwerper met meetlint is langzamerhand wel achterhaald.”

Het atelier van Alexander van Slobbe

U kreeg niet voor niets de oeuvreprijs van het Prins Bernard Cultuurfonds.
“Dat was een doorbraak in de Nederlandse mode, tot 2003 was die prijs nog nooit naar een modeontwerper gegaan. Het is een vormgevingsprijs, de mode werd door de meeste vormgevers niet als een serieuze discipline gezien. Ik heb wel meer prijzen ontvangen, maar dit is voor mij de allerbelangrijkste, omdat het ontwerpersschap voor mij de reden was om voor mezelf te beginnen.”
“Toen ik in 1989 Orson+Bodil oprichtte, kwam ik rechtstreeks uit de mode-industrie. Na de academie was ik bij UnderCover gaan werken, een Nederlands mannenmodemerk. Typisch middensegment was dat. Ik faxte mijn ontwerpen naar Japan en de kleding kwam in platte pakketjes weer terug.”
“Orson+Bodil was een tegenreactie van mij en Nannet van der Kleijn, met wie ik de eerste paar jaar samengewerkt heb. We wilden terug naar een product. Orson+Bodil wás toen helemaal geen mode, het wérd mode. Omdat we door de modewereld omarmd werden, die dacht: hé, dit is een interessant nieuw product, dit is mode. Daarom werden we groot.”

Toen kwam So, waarmee u in het Verre Oosten echt heel groot werd. Maar nu zit u weer hier, waar u lang niet zo bekend bent.
“Ik had ook hier naam kunnen maken, zoals Mart Visser of Frans Molenaar, maar dat heb ik nooit gewild. Toen ik groot was in het buitenland, wist hier niemand wie ik was. Ik stond op de cover van Vogue maar in Nederland had bijna niemand van me gehoord. Als wij shows gaven, dan was de hele internationale pers aanwezig, maar niemand uit Nederland – en ergens vond ik dat ook wel grappig.”
“Ik ben trouwens ontzettend blij dat ik nu weer in Nederland werk. Eigenlijk ben ik hartstikke dol op Nederland, volgens mij ben ik zo chauvinistisch als de pest. Ik vind Amsterdam zo’n mooie stad. En zo relaxed. In Japan werd ik nog wel eens zenuwachtig. Daar word je als bekend modeontwerper behandeld als een popster. Dat vond ik raar, want daar is mijn interesse nooit naar uitgegaan. Het gaat mij echt niet om de beroemdheid, maar om het product.”

U heeft het anders lang uitgehouden op de Japanse markt.
“Het was ook ontzettend leuk om te doen. Het leukste aan Japan vind ik dat ze kleding zo serieus nemen. Dat doen we in Nederland ook steeds meer, maar als je het mij vraagt, zijn we nog steeds het slechtst verzorgde land ter wereld, wat dat betreft. In Japan is de uiterlijke verzorging volledig opgenomen in de cultuur. Dat is fijn, want dan zie op straat het effect van wat je doet. Echt, ik ken geen volk dat beter gekleed gaat dan de Japanners. Logisch ook, want ze geven veel minder uit aan huizen en auto’s. Bovendien gaan ze veel meer uit eten en zijn ze veel socialer. Kleding is voor hen echt een manier van communiceren.”

Bent u rijk geworden in Japan?
“Dat zeg ik niet. Dat vragen ontzettend veel mensen, maar daar doe ik echt geen uitspraak over.”

U heeft So verkocht, maar heeft het label wel een toekomst zonder dat u er persoonlijk aan verbonden bent?
“Jawel. Het staat nu even stil, ik geloof dat ze voor volgend jaar een nieuwe campagne in Japan gepland hebben. Dat lijkt mij een goed idee, er zijn tenslotte legio merken waarvan de oprichter niet meer de ontwerper is. Ik wil mezelf niet vergelijken met Chanel of Yves Saint Laurent, maar daar is de ontwerper er ook niet meer en dat loopt prima. Het is meer een kwestie van strategie en bedrijfsvoering.”

U ontwerpt ook voor Puma, dat lijkt me een typisch voorbeeld van een sterk staaltje strategie en bedrijfsvoering.
“Ja, Puma is megagroot, daar worden echt miljarden omgezet. Ik ontwerp voor Puma omdat ik heel erg geloof in de vermenging van sport en couture. Bovendien is het prettig werken, Puma is een heel gesmeerd bedrijf. Je hoeft maar een ideetje te geven of je krijgt een sample.”
“Het werken binnen zo’n kader is ook leuk: het is en blijft Puma, ik kan dus niet ineens drie strepen op de schoenen zetten. Dat ik voor Puma ontwerp, is natuurlijk een strategische zet van het merk. Maar die strategie blijkt uit nog veel meer dingen, zo’n merk is daar continu mee bezig. Vorige week nog, werd ik ingevlogen om een benefietgala in Duitsland bij te wonen. Daar waren dus allemaal van die bekende Duitse mensen, dat organiseert zo’n merk dan ook maar weer.”

Wat doet u daar eigenlijk?
“Gewoon eten en praten en aanwezig zijn. En dan weer terug, dat gebeurt wel vaker. Nog niet zo lang geleden moesten Francisco van Benthum en ik (we doen het samen) een perspresentatie geven in Duitsland, we vlogen eersteklas en werden ondergebracht in een heel duur hotel. Ik ken dat nog wel uit mijn Japanse tijd, maar Francisco keek zijn ogen uit. Het gaat mij helemaal niet om de luxe of de roem, maar het is wel erg leuk dat iemand je serieus neemt, dat iemand je verwent en dat je gezien wordt. Dat hoeft helemaal niet op grote schaal, aandacht krijgen kan ook op kleine schaal.”

Doelt u daarmee op de aandacht in Nederland?
“Nederland ís klein. Dus voor een omvangrijk internationaal succes, dat tegenwoordig wel de norm is, móet je wel naar het buitenland. De Nederlandse markt is simpelweg niet groot genoeg. Als je in Amerika succes hebt, heb je een grote achtertuin met klanten, die heb je hier niet. Aandacht uit het buitenland heb je ook nodig om hier serieus genomen te worden. Het lijkt alsof je in Nederland pas waardering krijgt als je het over de grens gemaakt hebt. Ik geloof overigens dat dat aan het veranderen is, er is veel meer aandacht voor de mode en talent wordt steeds sneller herkend. Twintig jaar geleden was het bijna ondenkbaar dat in de krant over Nederlandse mode-ontwerpers geschreven werd. Tegenwoordig wordt veel meer aandacht aan de mode besteed.”

Er is ook meer om over te schrijven. Modeweken, biënnales, dat soort dingen.
“Dat is waar, en toch blijft Nederland klein. Nieuwe bladen, zoals Dutch vroeger en Fantastic Man nu, worden niet voor niets in het Engels uitgegeven. Nederlands, wie leest dat nou?”

Orson+Bodil is ook vrij klein. U denkt niet: wie draagt dat nou?
“Het label heeft een hele schare trouwe fans. Maar ik hoef niet meer zo nodig continu mensen in mijn kleding te zien lopen, dat zie ik al sinds mijn 23ste. Ik vind het nog steeds leuk om te zien, maar het is niet mijn eerste doel. Orson+Bodil mag van mij best groter worden. Als het maar een luxemerk blijft, daar gaat het om.”

Groter dus. Wil dat zeggen dat we over enige tijd de eerste advertentiecampagne van Orson+Bodil kunnen verwachten?
“Zou kunnen. Ik zou het liefst allemaal eigen winkels hebben, hier én in het buitenland.”

Verliest het label dan niet zijn kracht? Het gaat toch om exclusief handwerk?
“De productie is nu inderdaad klein, van een jasje worden in de regel twintig of dertig stuks gemaakt. Maar dat zouden er ook tweeduizend stuks kunnen worden, dat hou ik wel in de hand.”
“Als je wilt groeien, is het belangrijk gelijkgestemden te vinden, mensen met eenzelfde passie. Creativiteit is niet alleen iets vanuit jezelf, het is ook een verzameling van mensen om je heen. Ik zou er morgen mee kunnen beginnen. Het is een kwestie van de juiste mensen om me heen verzamelen om de nodige eerste stappen mee te zetten.”

Gaat u dan weer naar Japan?
“Wellicht, ik weet dat het product heel erg geliefd is door Japanners. Ik ben er twintig jaar naartoe gereisd, met mijn eigen label en voor andere bedrijven, dus ik ken de markt. Het lijkt me de meest logische eerste stap. Maar ik wil ook wel naar New York, naar Londen en Parijs.”

Bent u niet bang dat het dan met Orson+Bodil net zo zal aflopen als met So?.
“Daar moet ik natuurlijk geen ‘ nee’ op zeggen want dan gebeurt het vast. Maar ik ben nu een stuk ouder en door de wol geverfd. Ik geloof wel dat Orson+Bodil zou kunnen uitgroeien tot een internationaal succes, maar ik wil het alleen als ik zo’n organisatie om me heen kan creëren dat het kleinschalig blijft lijken. Ik bedoel, het is best mogelijk honderd winkels te hebben en toch exclusief te zijn. Toekomstmuziek hè, dit moet allemaal nog gebeuren. Maar het gáát gebeuren, daar ben ik niet bang voor.”

U lijkt helemaal geen haast te hebben.
“Nee, dat is de luxe van mijn huidige positie. Omdat ik vorig jaar die keuze heb kunnen maken So te verkopen, heb ik nu alle vrijheid om te doen wat ik leuk vind. Dat is toch heerlijk. Weet je, ik ben toch 46 nu, er zijn bijzonder veel mensen van mijn leeftijd die hun werk helemaal niet zo leuk vinden. En hoe rijk ik ook zou zijn, ik zou nooit willen rentenieren, dat vind ik helemaal niet interessant. Dan zit ik nog vast thuis te breien, net als vroeger.”

Ah, hier hebben we het clichébeeld van de ontwerper die al op jonge leeftijd zat te fröbelen en in zijn eigen creaties liep?
“Ik ging als kind naar de Vrije School in Rotterdam, waar ik inderdaad zat te breien in de klas. Dat maakte niets uit, zolang ik mijn werk maar af had. Alternatief ben je niet snel op zo’n school, want het was typisch zo’n plaats waar iedereen zijn best doet er anders uit te zien.”

Heeft u nooit aan een ander vak gedacht?
“Nee, de fixatie voor ontwerpen was er al van jongs af aan. Ik kan me zelfs niet meer een bepaald moment voor de geest halen waarop ik dat besluit nam. Mijn ouders, die twee cafés hadden in Schiedam, waren wat dat betreft heel modern, bij ons thuis gold het motto: maak van je hobby je beroep.”
“Kleding ontwerpen is natuurlijk iets heel anders dan een kroeg runnen, maar mijn ouders zijn wel echte middenstanders, die hebben nooit voor iemand gewerkt. Ik ben ook het liefst mijn eigen baas, dat middenstanderschap heb ik toch wel van ze overgenomen.”

CV
Geboren op 25 maart in 1959
1979: eindexamen op de Vrije School in
1979-1984: Studie aan de modeacademie in
1989: Begint eigen label Orson + Bodil
1993: Internationale doorbraak met het modelabel So
2003: Ontvangt de oeuvreprijs van het Prins Bernhard Cultuurfonds (die voor het eerst aan een modeontwerper wordt uitgereikt)
2003: Wordt hoofd van de afdeling mode van de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem
2003: Begint samenwerking met Puma
2003: Verkoopt zijn merk So aan een Japanse firma
2004: Opening van zijn eigen winkel Orson + Bodil op het terrein van de Westergasfabriek in Amsterdam
2005: Winkel verhuist tijdelijk naar Herengracht in verband met verbouwing pand op Westergasfabrieksterrein

Eerder gepubliceerd op 6 augustus 2005 in Het Parool (PS vd Week)

Gerelateerde artikelen:

, , , , ,