Interview: Drs P

Ter gelegenheid van zijn achtentachtigste verjaardag verscheen onlangs opnieuw een bundel met verzen. Voor tekstdichter en voormalig artiest Drs . P is ‘het hanteren van de Nederlandse taal nog steeds een genot’.

 Foto’s: Karoly Effenberger

Hij is zoals hij zich voordoet in zijn teksten: een ouderwetse heer met humor. Ironisch, taalbewust en hoffelijk. Heinz Hermann Polzer (1919), beter bekend als Drs P, spreekt in archaïsch geformuleerde volzinnen, vaak met een zweem van understatement. Hij heeft zijn eigen plek in de tuinen van het Pullitzer hotel – ‘een heerlijke plaats om te schijven, rustig, vol van inspiratie en van gebladerte ook’ – hij drinkt koffie en, wat later in de middag, sherry, hij rookt sigaren en hij werpt hoofdknikjes naar het bedienend personeel. Aan de krasstem waarmee hij in de tweede helft van de vorige eeuw op het podium stond, is nog niets veranderd.
Noem hem geen dichter. “Die term is besmeurd, in dit land kan iedere hansworst of stoethaspel zich dichter noemen. Wat je te lezen krijgt als je tegen je zin in zo’n dichtbundel tuurt, is beschamend of op zijn allerminst vervelend. Zeker, ik kan gedichten schijven, maar ik noem mijzelf liever versificator. Dat klinkt zeer ambtelijk en ambachtelijk, en dat is het in feite ook, het geeft tenminste aan dat ik iets kán.”
Het doelbewust en aandachtig hanteren van de Nederlandse taal in het kader van een versvorm is volgens Drs. P heerlijk werk. “Voor wie kundig met de Nederlandse taal kan omspringen, is het rijm een krachtig gereedschap dat een tekst niet alleen geraamte kan geven maar je ook op ideeën kan brengen.”
Dat er veel slecht gerijmd wordt, komt volgens Drs P omdat rijmen en metrum ouderwets gevonden worden. “En betekenis doet er ook niet meer zoveel toe. Het verval van de Nederlandse taal is begonnen met de Tachtigers, voor die tijd was een dichter iemand die fatsoenlijk rijmde en misschien ook nog wel eens iets interessants in het midden te brengen had, maar ook als dat niet het geval was kon je zo’n tekst zonder walging lezen. Aan teksten die niet rijmen en syntactisch kant nog wal raken, wil ik geen aandacht besteden. Ritme is essentieel. Wat dat betreft ben ik dankbaar dat ik ook enig muzikaal vermogen heb.”

Drs. P heeft geen kinderen. Sinterklaas hoeft hij niet te vieren en aan Kerstmis doen hij en zijn vrouw evenmin, dat strookt niet met zijn afkeer van het Christendom. De Sinterklaasrijmelarij spreekt best tot de verbeelding, maar hij laat zich er liever niet mee in. Dat heeft hij wel gedaan, als student. “Klanten van de Bijenkorf konden kosteloos een gedicht bij mij verkrijgen. Heel eenvoudig. Ik begon gewoonlijk met een opsomming: wat zal ik eens aan Anna geven?/ Een voorbalkon, een achtersteven? En zo verder. Dat kun je lang volhouden. Ik eindigde steevast met de zinnen: En toen trok Sint bedaard/ Een … uit zijn baard. Succes verzekerd.”
De rijmvorm Ollekebolleke leent zich volgens de meester in rijmende woordenstromen goed voor Sinterklaasgedichten. Het Ollekebolleke is gebaseerd op de dubbele dydactus: POM-pom-pom-POM-pom-pom. Moeilijkste onderdeel is de zesde regel, waar een woord met zes lettergrepen en de hoofdklemtoon op de vierde lettergreep verplicht is. “Maar met een woord als proefondervindelijk kunt u alle kanten op.”
“Het komt voor dat mensen door mijn toedoen worden aangetrokken tot het vormvast schrijven, daarmee ben ik zeer verguld. Ik herinner me dat mijn vrouw ergens buiten op de markt een vrouw tegen haar vriendin hoorde zeggen dat ze naar huis moest omdat ze nog een Ollekebolleke moest schrijven voor nicht Stien. Het trof me dat een versvorm waar ik nogal veel gebruik van maak, ingang had gevonden bij een groot publiek. En ik heb meer signalen gekregen dat men mij volgt of zelfs navolgt. Dat is natuurlijk bevredigend.” Een recensent heeft hem wel eens de voorloper van de Nederlandse rap genoemd.

Ik weet heel oppervlakkig van het bestaan van rap en ik weet ook dat ik in die kringen waardering ondervind, wat mij helemaal niet deprimeert, maar ik heb me eigenlijk nooit in die muziekstroming verdiept.”

Het gaat hem om de taal. Na 88 jaar is Drs. P nog lang niet moe zijn liefde voor het Nederlands te betuigen. “Ik vind het mijn opgave om het publiek te doodringen van de rijkdom en de lenigheid van het Nederlands. Veel jonge mensen plachten te denken dat het Engels meer mogelijkheden heeft, maar ik heb ooit eens rijmklanken geturfd en het Nederlands kwam daarbij uit de bus als tamelijk ver superieur aan het Frans, Engels en Duits. Het Nederlands heeft vrij veel onregelmatige werkwoorden en die hebben desgewenst ook nog een aanvoegende wijs, die een kleine wijziging in het woord teweeg kan brengen. Op die manier kun je in het Nederlands heel veel op elkaar doen rijmen.”
Hij is conservatief als het om taal gaat. En daar is hij trots op. “In Nederland mis ik het respect voor de moedertaal. Dat ik conservatief ben, wil niet zeggen dat ik tegen nieuwe woorden ben. Nieuwe woorden kunnen soms een ware verrijking vormen. Ik ben conservatief omdat ik hecht aan de etiquette van de taal.”
Zijn leerschool – hij studeerde economie, in Rotterdam – was de reclame. Hij kwam via via als reclameschrijver bij Unilever terecht. “Ik heb een brief geschreven nadat ik op straat een studiegenoot tegenkwam, die nogal hoog opgaf van zijn werk als copywriter. Als ze deze man salaris verstrekken, dacht ik, zullen ze mij met feestgedruis en fanfare binnenhalen. Ik werd inderdaad geaccepteerd, het schrijven lukte mij zelfs heel aardig. Mijn werk als copywriter is een voortreffelijke gymnastiek gebleken. Niet wat je noemt een levensvervulling, je bent genoodzaakt met een beperkte taalschat aardige dingen te schrijven over stomvervelende producten als shampoo en hair oil, zodat de krantenlezer vervuld raakt en naar de winkel snelt.”
Aan zijn onderwerpkeuze is in de loop der jaren weinig veranderd. Drs. P houdt zich liever bezig met groente en fruit, met het vervoer of met het matige Nederlandse klimaat, dan met grote onderwerpen als liefde, dood en smart. Schrijven is voor hem geen kwestie van ontboezemingen doen. “Ik houd er niet van om te vertellen over wat ik voel, wat ik mijmer en wat ik met smart onderga. Ik heb het liever over wat ik waarneem, wat ik beleef en eventueel wat ik me herinner.”

Als er al sprake is van een rode draad in zijn werk, dan is het de ironie. “Dat heeft niets met tastbare opzet te maken, de ironie zit in mijn aard.” Hij is sceptisch, noemt het leven ‘een vertoning’, mag graag aan de beschaving refereren als ‘een slopende ziekte’ en heeft zelfs wel eens gezegd dat hij ‘het helemaal niet erg zou vinden als de mensheid verdween, door een meteorietinslag bijvoorbeeld, en de aarde een park werd voor allerlei gedierte’.
Maar het feit dat hij weinig fiducie heeft in de toekomst en ook niet veel ontzag voor de mensheid, maakt van hem nog geen misantroop. Hij ziet zichzelf liever als een vrolijke pessimist. Iemand die de wereld op afstand bekijkt in plaats deelneemt aan het leven. “Ik gedraag me niet asociaal, hooguit enigszins eenzelvig. Dat is een bewuste keus. Rechtvaardigheid, mensenliefde en meer van dergelijke verschijnselen zijn geen natuurlijke eigenschappen die iedereen bezit. Zulks is aangepraat, en dat is voor veel mensen best heel nuttig.”
Zijn sombere mensbeeld komt geregeld naar voren zijn teksten. Zo wordt de kleine Pjotr van de trojka gegooid om de aanstormende wolven op afstand te houden, tante Constance staat tante Mathilde naar het leven en zoekt heil in terpentijn en rattenvenijn. Kwestie van humor. “Ik houd van het effect van een wrede wending in een tekst, dat is een instrument van de humor. Er zijn ook mensen die om lollig te zijn naar elementen uit het geslachtsverkeer grijpen, dat vind ik zeer goedkoop. Wreedheid is een nuttig element omdat het voor contrast zorgt. Zo’n absurdistische wending geeft een bepaalde spanning die zich ontlaadt in hilariteit. Humor is een kostbaar instrument, ik hanteer het met graagte.”
Of hij milder is geworden met het verstrijken van de jaren? “Ik ben optimistisch ingesteld, ik ben nooit somber geweest – op het ogenblik en op deze locatie ben ik zelfs zeer levenslustig gestemd – maar ik ben onverschilliger geworden. Ik maak tegenwoordig minder problemen van het bestaan. Voor mij staat voorop dat wij niet op aarde zijn met een bedoeling, een opdracht of een heilig doel. We zitten hier zoals bacteriën ergens anders zitten. Op een gegeven moment ga je dood en dat hindert niet, je moet maar zorgen dat je tegen die tijd zoveel mogelijk genoegen aan het leve beleefd heb. En ik moet zeggen dat er grote lappen van de twintigste eeuw zijn waar ik met genoegen aan terugdenk.”

Met de eenentwintigste eeuw heeft Drs P niet veel op. “We zijn met de eenentwintigste nog niet zo lang bezig maar ik vind het een verdomd vervelende tijd. Het ergste vind ik het verval. In de twintigste eeuw bestond er tenminste nog iets van fatsoen en traditie en had je niet overal nerveus makende snufjes als email, dvd en die ellendige telefoontjes. Hoewel de twintigste eeuw twee forse oorlogen, een aanzienlijke economische crisis en opstanden in diverse landen behelst, maakt het geheel een gezelliger indruk op me dan de huidige tijd. Maar ik heb natuurlijk geboft, ik heb geen slagveld gezien.”
Hij schrijft nog steeds. Voor zijn plezier, en om niet al te krakkemikkig te worden. “Ouder worden kan ik niet aanbevelen. Ik zal u niet hinderen met jammerklachten over lichamelijke ongemakken. Ik kan nog lopen, ik kan nog lezen – zonder bril beter dan met bril, vreemd genoeg – maar sluipenderwijs komt de verstrooidheid die bij mijn leeftijd past. Ofschoon ik tot mijn verbazing en voldoening vaak constateer dat ik me namen van vele jaren geleden nog helder voor de geest kan halen.

En je hebt een hele hoop om terug te zien als je ouder bent, dat is weldadig.”

Drs. P ‘88’ verscheen bij Nijgh & Van Ditmar. Prijs: 4,95 euro, 20 blz.

Eerder gepubliceerd in december 2008 in Het Parool (feestmagazine)

Gerelateerde artikelen: