Interview: Hans Ubbink

Als puber nam Hans Ubbink zich voor dat hij nooit zo veel zou gaan werken als zijn vader, die begin dit jaar overleed. Maar hij werkt inmiddels minstens zo veel als Chris Ubbink, voormalig lid van de raad van bestuur van de Melkunie, een marketingman die naam maakte met het Monatoetje.

Hans Ubbink produceert onder eigen naam drie collecties per jaar, voor mannen en vrouwen. In Nederland heeft hij tweehonderd verkooppunten, nu richt hij zich op het buitenland. Hij werkt ‘zeventig tot 97′ uur per week. En dat terwijl een eigen label helemaal niet zijn ambitie was toen hij nog studeerde.
Na een avondopleiding op de academie in Arnhem ging Ubbink aan de slag voor Nederlandse merken als Soap Studio en Van Gils. In 1991 begon hij met JC Rags, een supercommercieel mannenmodemerk. Toen de relatie met de geldschieter na een half jaar stuk liep, begon hij Book’s, ook een mannenlabel.
Tien jaar geleden, nadat modegroep Secon zich had teruggetrokken uit Book’s, begon hij met zijn vriendin Ans, die is opgeleid aan de hotelschool, een modelabel onder eigen naam. “Zonder Ans was ik nooit zover gekomen. Zij neemt al sinds het begin de personeelszaken en financiën voor haar rekening.” Sinds twee jaar is zijn broer Taco nauw betrokken bij het bedrijf, hij is verantwoordelijk voor de internationale expansie.

Tekst: Bregje Lampe
Foto: Malou van Breevoort

 

U had ook iemand anders kunnen nemen. Ziet u uw zaak als een familiebedrijf?
“Dat is zo gegroeid. De keuze voor Taco was een voor de hand liggende: hij heeft economie gestudeerd, hij zat al in de modebranche en hij kent onze werkwijze. We hebben het er eerder ook wel eens over gehad, maar toen vonden we het risico te groot. Twee jaar geleden speelde dat niet meer, we hadden op dat moment al acht jaar een solide bedrijf.”

Hoe waren de verhoudingen tussen Taco en u als kind?
“Taco had vooral jongens om zich heen, ik had als puber vooral vriendinnetjes. We waren met z’n drieën, maar Taco en Letty, onze zus, trokken meer met elkaar op, ik was meer op mezelf. Ik ben de oudste.”

Bent u een vrouwenman?
“Ik vind vrouwen wel heel leuk, ja.”

Dat komt vast van pas in een industrie die als nichterig te boek staat.
“Ik was altijd al bezig met kleding, maar ik was me nooit bewust van het homoseksuele karakter van mode. Daar kwam ik pas achter toen op de academie bleek dat al mijn klasgenoten homo’s waren en toen mijn hoofddocent na mijn studie vroeg of ik al een leuke vriend had gevonden. Heteromannen missen vaak het gevoel voor detail dat je nodig hebt in dit vak. In de jaren zestig en zeventig zou ik als ontwerper met vrouw en kinderen vast nog zijn weggezet als een latente homo, maar ik heb niet het idee dat die vooroordelen nu nog spelen.”

U bent al bijna dertig jaar samen met Ans.
“Ja, je moet wat als latente homo.” Hij lacht. “We kennen elkaar via Taco. We kwamen elkaar tegen tijdens het uitgaan en we konden meteen heel erg met elkaar lachen. Dat kunnen we nog. Zolang het gaat, doen we het, zeiden we ooit tegen elkaar. In februari zijn we dertig jaar samen. Dat betekent niet dat we nooit een mindere periode hebben gehad, of dat we nooit ruzie maken, maar over het algemeen gaat het goed. We hebben twee kinderen. Ik hou van mijn gezin, mijn familie komt op de eerste plaats. Altijd. Een hechte familie maakt sterk. We zitten geregeld met de hele familie rond de tafel en dan denkt iedereen mee over het bedrijf.”

Uw zoon Tim gaat binnenkort het huis uit. Wat vindt u daarvan?
“Dat vind ik vreselijk. Ik heb stilletjes staan huilen tussen de bomen in de tuin. Hij is bijna achttien, na de zomer gaat hij in Amsterdam studeren en wonen. Het wordt wennen als we straks niet meer met zijn vieren thuis zijn. Wij zijn meer een stel vrienden dan een vader, moeder en twee kinderen. Ze zeggen dat je als ouder eigenlijk nooit vrienden met je kinderen moet worden omdat ze zich moeten kunnen afzetten, maar ik geloof daar niet zo in.”

Hebt u zich ook nooit afgezet tegen uw ouders?
“Toen ik een jaar of veertien was, heb ik heel bewust bedacht dat het een goed idee zou zijn om te breken met de traditie waarbij je eerst zelf in alle sloten springt voordat je erop vertrouwt dat je ouders het beste met je voorhebben. In plaats van me tegen hen af te zetten, heb ik geprobeerd te leren van mijn ouders. Ik had ook niet zo veel reden om me af te zetten. Natuurlijk heb ik wel heftige confrontaties gehad, maar alleen in discussies met mijn vader. Ik was de oudste zoon, dat hoort erbij. Maar ik heb nooit alles hoeven te proberen wat verboden is om aan te tonen wat ik zoal durf.

Mijn ouders gaven me veel vrijheid en lieten me zelf dingen uitzoeken.”

Bijvoorbeeld?
“Ik was veertien en kwam dronken thuis van een schoolfeest. Ik was achterin de bus in slaap gevallen en moest toen vier kilometer door de weilanden lopen. Mijn ouders moesten alleen maar heel hard lachen. Het zou zeker discussie hebben opgeleverd als ik daarna elk weekend dronken was thuisgekomen. Maar ze lieten me in eerste instantie zelf mijn conclusies trekken.”

En u besloot om nooit meer te drinken.
“Precies, ik heb sindsdien geen druppel meer gedronken. De verantwoordelijkheid die ik heb gekregen, heb ik altijd genomen.”

Gaat u ook zo om met uw kinderen?
“Ik hoop het. Toen mijn dochter van vijftien me vannacht om kwart voor twee belde om te vragen of ze bij een vriend mocht blijven slapen, heb ik ja gezegd. Natuurlijk heb ik vandaag gevraagd hoe het was. ‘Niks hoor,’ zei ze. En dat vinden Ans en ik dan prima. Mijn ouders hebben me gestimuleerd om zelf na te denken, dat zou ik mijn kinderen ook graag meegeven.”

Wat was het grote twistpunt tussen u en uw vader?
“Ik vond dat mijn vader te veel met zijn werk bezig was. Tijdens een van onze heftigste aanvaringen heb ik wel eens uitgeschreeuwd dat ik nooit zo veel zou gaan werken, dat ik er wél voor zou zijn mijn kinderen. Een jaar of vijf zes geleden ik belde hem elke dag had ik mijn vader aan de telefoon. ‘Hoe voelt dat nou?’ vroeg hij, waarop ik hem vroeg wat hij bedoelde. ‘Nou, dat harde werken.’ We konden er allebei om lachen. En hoewel Sanne een week of drie geleden tijdens het tandenpoetsen droogjes mijn aanwezigheid opmerkte ‘Zie ik jou ook weer eens,’ zei ze durf ik wel te zeggen dat ik er ben voor mijn kinderen. Mede doordat Ans me bij de les houdt. Ik realiseer me dat ik heel veel werk, maar ik ben hier niet mee begonnen om eens lekker honderd uur per week te maken.”

Wat is het motto uit uw jeugd?
“Je best doen is niet goed genoeg, je moet het goed doen. Ik weet nog dat mijn vader dat eens zei toen ik thuiskwam met een rapport dat in zijn ogen niet goed genoeg was en ik zei dat ik toch mijn best had gedaan. Ja, dat motto zit er nog steeds in. Ik ben ongelooflijk vastberaden in wat ik wil bereiken. Ik ga door totdat het voor elkaar is.”

Wat is ‘het’ in uw ogen?
“Dat is een probleem, in die val ben ik inderdaad getrapt. Toen ik net van de academie kwam, was mijn ‘het’ dat mannen zich bewuster, bijzonder, zouden gaan kleden. Dat heb ik min of meer bereikt. Maar ‘het’ is natuurlijk ‘het leven’, en dat is dus nooit voor elkaar. Of misschien wel, als ik iedereen gelukkig heb gemaakt.”

Bent u zo’n pleaser?
“Niet direct, maar ik word zelf blij als de mensen om me heen gelukkig zijn. En ik ben een optimist, ik hou niet van gezever, ik wil laten zien dat het leven één groot plezier is.”

Hoever gaat u om een vrouw gelukkig te maken?
“Zover als zij verdient. Het moet van twee kanten komen, vind ik.

Ik zal niet snel mijn eigen geluk opzijschuiven voor een ander.”

En voor uw werk?
“Evenmin. Ik word gelukkig van mijn werk, ik doe wat ik leuk vind. En dat doe ik op mijn eigen manier.”

Wat is typisch aan uw werkwijze?
“Op zakelijk vlak houden Ans en ik er nogal onorthodoxe ideeën op na. Veel mensen gaan louter voor omzetcijfers, wij kijken eerst of iets of iemand bij ons past voordat we zaken gaan doen. Of het iemand is met wie we bijvoorbeeld zouden gaan eten. Ik wil een gesprek kunnen hebben buiten de omzetcijfers, cijfers zijn voor mij een gevolg van de rest.”

Had uw bedrijf sneller kunnen groeien?
“Absoluut. We hadden al eerder internationaal zaken kunnen doen, maar ik heb altijd alle risico’s willen elimineren. Pas nu heb ik mijn stijl helemaal gedefinieerd, kunnen we op alle productiekanalen vertrouwen en kunnen we gegarandeerd op tijd leveren. Internationaal zakendoen is geen kwestie van verkopen en dan maar zien waar het schip strandt.”

Maakt u wel eens een inschattingsfout?
“Jazeker. Een jaar of zeven geleden ging het mis met een agent in België. Ik was toen meer op de cijfers dan op mijn intuïtie afgegaan, daar heb ik van geleerd. Begin dit jaar ging de samenwerking met Qelavi, een nieuwe Amerikaanse winkelketen, op het laatste moment niet door doordat ze failliet gingen. Het ging om een heel grote deal, Qelavi zou met 23 filialen tegelijk openen. Omdat we door iemand binnen het bedrijf getipt werden om nog niet te leveren, hebben we financieel niet geleden en kunnen we nog steeds zonder merkschade de Amerikaanse markt op. Als we niet zo’n persoonlijke band hadden opgebouwd, waren we misschien wel niet op tijd gewaarschuwd.”

Het buitenland lonkt nog steeds. Hoe pakt u het nu aan?
“We gaan met de nieuwe wintercollectie naar de beurzen in Italië en Berlijn. Dat was ook het plan voordat de Amerikanen langskwamen. Met welk land we zaken gaan doen, hangt af van wie we tegenkomen. Ik zie vooral mogelijkheden in Engeland, Scandinavië, Duitsland en Italië.”

In de mode wordt nogal eens beweerd dat een Nederlandse ontwerper naar het buitenland moet gaan om te slagen. Wat vindt u daarvan?
“Onzin. Toen ik na Soap Studio bij Van Gils zat, is mij wel eens gevraagd om een designteam in Italië te versterken. Ik heb toen nee gezegd omdat ik vond dat het ook in Nederland moet kunnen. Alsof mensen hier geen goede kleren nodig hebben. Als iedereen met enig talent wegloopt, gebeurt hier nooit wat. Ik ben heel bewust hier aan de slag gegaan.”

Krijgt u genoeg erkenning in de modewereld?
“Inmiddels wel, maar dat heeft even geduurd. Soms heb ik wel het idee dat mijn creatieve integriteit in twijfel wordt getrokken omdat mijn bedrijf ook economisch bestaansrecht heeft. In de ogen van een handjevol modemensen ben je geen goede ontwerper als je kleding toegankelijk maakt. Dat is jammer. Ik doe precies hetzelfde als ontwerpers in Londen en Parijs, maar ik doe het in Nederland. Ik hou al jaren vast aan mijn eigen stijl en ik heb daar veel mee bereikt. Nederlandse mannen zijn zich de afgelopen jaren steeds eigenzinniger en eleganter gaan kleden.”

Heeft u niet simpelweg een internationale trend hierheen gebracht?
“Ja en nee, toen ik twintig jaar geleden in Nederland met mannenmode begon, begonnen Dolce & Gabbana met hun mannenlijn in Italië. Ik liep niet achter de trend aan, ik ging er op hetzelfde moment mee aan de slag. Misschien alleen minder zichtbaar, omdat het in Nederland was.”

Uw vrienden bestempelden uw kleding in het begin als te apart en te nichterig.
“Ja, ze vonden het te ongewoon. Mijn vader had een mooie theorie over het kleedgedrag van mannen. Volgens hem kleden ze zich niet slecht omdat het ze niet interesseert hoe ze eruitzien, maar omdat ze het niet fout willen doen en dus vasthouden aan het vertrouwde. Ik heb altijd in mijn eigen stijl geloofd. Als ik naar al het commentaar geluisterd zou hebben, was van mijn stijl niet meer overgebleven dan een simpele broek en een wit T-shirt.”

Voor wie ontwerpt u?
“Ik vind het moeilijk een naam te geven aan mijn doelgroep, maar ik stel me zo voor dat vrouwen en mannen die zich aangetrokken voelen tot mijn kleding over het algemeen een wereldse kijk en een rebelse inslag hebben.”

Zoals Matthijs van Nieuwkerk, Beau van Erven Dorens, Waldemar Torenstra, Martin Bril, Antonie Kamerling, Jan Mulder en Daniël Boissevain. Ik noem maar wat van uw klanten.
“Ja, dat zijn de mannen door wie het grote publiek mij kent. Mijn kleding wordt vaak gedragen op tv en in films. De mensen benaderen mij, maar ik geef het niet weg. Ze betalen de inkoopprijs. En ik wil weten aan wie ik iets uitleen. Toen de stylist van Beau belde, heb ik gezegd dat ik hem eerst wilde ontmoeten. Het heeft negen maanden geduurd eer we een afspraak hadden, toen was het binnen vijf minuten rond.”

U doet niet mee aan de Amsterdamse modeweek die nu bezig is. Waarom niet?
“Kwestie van timing: ik presenteer aan het begin van internationale seizoen omdat onze klanten ook internationale labels inkopen. Daarnaast geef ik graag een eigen draai aan mijn shows. Bij de Amsterdam Fashion Week ligt de setting al vast. Zo’n enorme show als ik drie weken geleden in het Amsterdamse Bos heb neergezet, kan ik op het Westergasterrein niet organiseren.”

Voelt u zich thuis in Nederland?
“Ja, hier wonen de mensen van wie ik hou. Maar ik heb het idee dat Nederland in toenemende mate wordt geregeerd door angst en ontevredenheid. We zijn hier zo bezig met het verwerven van materiële welvaart, dat we vergeten dat sociale welvaart veel belangrijker is voor ons geluk.”

En dat zegt een modeontwerper, zelf onderdeel van het consumptiesysteem.
“Ja, daar worstel ik al jaren mee. Maar ik hoop dat deze weg uiteindelijk ook naar een sociaal doel leidt; zo droom ik ervan om ooit een vorm van microkrediet op te zetten voor creatieven wereldwijd en een cultuurdatabank op te zetten. Voorlopig kan ik ook met kleding veel doen. Voor mij is mode veel meer dan de nieuwe kleur van het seizoen. Ik ontwerp met de drager in mijn hoofd. Met kleren kan ik laten zien dat het leven leuk is.”

Hoopt u dat uw kinderen u opvolgen?
“Daar sta ik ambivalent tegenover. Ik zal het niet stimuleren en ik zal het niet tegenhouden. Ik zal eerlijk zeggen dat ze het niet moeten doen om rijk te worden. Maar als ze hun leven op een eigenzinnige manier willen inrichten, dan is dit nog helemaal niet zo verkeerd.”

CV Hans Ubbink
Geboren in Doesburg op 15 oktober 1961
1974: havo in Ede
1980: Modeacademie in Arnhem, eerst mode-illustratie, studeert af als ontwerper
1986: ontwerper bij Soap Studio van Frits Klarenbeek
1987: ontwerper bij Van Gils
1991: oprichting mannenlabel JC Rags
1992: oprichting mannenlabel Book’s
2000: oprichting label Hans Ubbink, eerst mannen, later ook vrouwen
2002: eerste editie Human Holidays vakantiedoeboek
2003: lancering denimlijn Hans Ubbink Blue
2010: oprichting Partij voor de Vakantie

Eerder gepubliceerd op zaterdag 17 juli 2010 in Het Parool (PS van de Week)

 

Gerelateerde artikelen:

, ,