Interview: Jan Taminiau

Het postzakjasje voor prinses Máxima bracht zijn carrière in een stroomversnelling. Jan Taminiau (35) verhuisde van Amsterdam naar Naarden en geeft shows in Parijs. ‘Een simpele trouwjurk is niet aan mij besteed.’

Tekst: Bregje Lampe
Portretfoto: Anne Reinke

Jan Taminiau, in zijn atelier in Naarden

Modeontwerper Jan Taminiau maakt bruidsjurken, maar ook avondjurken en mantelpakjes. Zijn naam is synoniem voor romantische mode met een rauw randje. Ingewikkelde borduursels. Delicate stofjes. Dramatische vormen. Taminiau – een vriendelijke, tikje slungelige Brabander in spijkerbroek en overhemd – studeerde in 2001 af aan de modeafdeling van ArtEZ in Arnhem, twee jaar later rondde hij de vervolgopleiding aan het Fashion Institute Arnhem (FIA) af.
Zijn eerste presentatie hield hij in 2005, voor de deur van zijn persbureau op de Leidsegracht. Inmiddels geldt hij als een van de grote publiektrekkers van Amsterdam Fashion Week. Woensdagavond presenteerde hij zijn nieuwste collectie tijdens de openingssoirée. En vorige week gaf hij een show in Parijs, tijdens de haute coutureweek.
Taminiau is de enige van zijn generatie die zich concentreert op maatwerk voor een selecte groep klanten. En met succes. De eerste keer dat prinses Máxima Nederlands design droeg, in 2009 tijdens de opening van de Arnhem Mode Biënnale, droeg ze een jasje van Jan Taminiau. Sindsdien groeit zijn klantengroep gestaag, ondanks de crisis. Nog niet zo lang geleden was zelfs Lady Gaga te zien in een huidkleurige creatie van Taminau. Tijdens zijn laatste show presenteerde hij een demi-couturelijn, een voorzichtige stap naar een groter publiek.
Taminiau begon in Tilburg, om de hoek van zijn ouders. In 2008 verhuisde hij naar een voormalig hoerenpand op de Wallen, als onderdeel van het Red Light Fashionproject. Nu ontvangt hij in de keuken van een chique villa op een landgoed in Naarden, onderdeel van het atelier dat hij vorig jaar betrok.

Ik hou van groots en meeslepend’

Hoe komt u aan deze indrukwekkende locatie?
“Via een van mijn klanten. Toen ik vorig jaar naarstig op zoek was naar een nieuwe locatie – het contract op de Wallen werd niet verlengd – tipte zij me dat ze nog een ruimte voor me had. Ik heb meteen ja gezegd. Pas toen ik erin trok met mijn team, begon ik te beseffen hoe geweldig deze plek is. Neem deze keuken, hier zitten we dagelijks samen te eten.”

U presenteerde onlangs een demi-couturecollectie.
“Dat is kleding die ik nog steeds in het atelier kan maken, maar die niet helemaal op maat en met de hand wordt gemaakt, zoals de couturecollectie. Zo geef ik mijn klanten de kans om sneller te consumeren. Een couturestuk is nogal een tijdsinvestering: klanten moeten tot vijf keer komen passen en het maken duurt soms wel twee maanden. In één couturejurk kan wel tweehonderd uur werk zitten.”

Hoeveel trouwjurken maakt u per jaar?
“Dat ligt eraan. Het afgelopen jaar waren het er ongeveer vijftien. Inmiddels is de verhouding veranderd. Toen ik net begon, maakte ik vooral bruidsjurken; daar geven mensen over het algemeen wat gemakkelijker veel geld aan uit. Nu ben ik zo bekend dat mensen ook voor andere kleding komen. Maar het is nog steeds gelegenheidskleding. Avondtoiletten, cocktails, dat werk. Ik hou van groots en meeslepend. Voor een simpele witte jurk moet men niet bij mij zijn. Ik hou van de vrouw en van het vrouwelijke. Met mijn jurken wil ik vrouwen op een voetstuk plaatsen.”

Hoe was het om de trouwjurk voor uw zus Maartje te ontwerpen?
“Dat was heel bijzonder. Als kind hebben we eindeloos gefantaseerd hoe haar bruiloft eruit zou zien. Door de jaren heen heb ik heel wat trouwjurken voor haar getekend. Maartje was mijn paspop; ik kleedde haar aan en we deden fotoshoots. Ik voelde de druk wel. Toen het eenmaal zover was, in 2008, moest ik ineens iets kiezen uit al die dingen die ik had verzonnen. En ik ken mijn zus op zo veel momenten. Ik weet precies wie ze is en wie ze wil zijn. Bij klanten heb ik ook een beeld, maar dat is anders. Een klant vertelt wie ze wil zijn en dan vul ik dat in.”

Wilt u zelf trouwen?
“Ik denk het niet. Ik ben nogal visueel ingesteld. Dat wil zeggen: bij een bruiloft denk ik aan een witte jurk. En ik zie mezelf niet in een witte jurk. Ik wil mijn vriend ook niet zien in een witte jurk. Bovendien: ik heb geen bruiloft nodig om een gevoel van commitment te bevestigen. Ik ben dol op huwelijken, maar mij gaat het om het plaatje. Daarom sluit ik nog steeds elke modeshow af met een bruidsjurk. Heel traditioneel, maar dat past wel bij mij. Ik ben een romanticus.”

Heeft u een vriend?
“Ja. Sinds een half jaar. Ik verbaas me er nog dagelijks over, want ik was helemaal niet uit op een relatie. Ik dacht, en dat heb ik ook altijd gezegd in interviews, dat een relatie niets voor mij zou zijn. Dat ik geen tijd voor een ander zou hebben, dat iemand niet met mij zou kunnen leven. Maar nu weet ik wel beter. Sinds we elkaar kennen, zien we elkaar elke dag.”

Hoe heeft u elkaar leren kennen?
“In de kroeg. Ik geef toe: niet de meest romantische plek. Ik was op stap met vrienden en een een vriendin van mij sprak hem aan. Om een sigaret voor mij te vragen. Dat durfde ik zelf niet. Uiteindelijk raakten we in gesprek. Sindsdien zijn we samen. We zijn elkaars tegenpolen. Hij is netjes en steriel, ik ben shabby. Hij is geordend, ik ben chaotisch. Hij is modern, ik ben nostalgisch. En dat stoort me allemaal niet. Eigenlijk begrijp ik er helemaal niets van. Maar goed, liefde is misschien niet te begrijpen.”

Hoe was u als kind?
“Spelen met mij was niet zo leuk. Ik was niet geïnterresseerd in spelen. Als ik met mijn zus en de poppen speelde, wilde ik vooral de poppen aankleden, terwijl zij een verhaal rondom de poppen verzon. Hetzelfde gold voor de auto’s van mijn broertje: die wilde ik alleen maar op kleur zetten. Rondrijden met die dingen vond ik zo zinloos. Ik was altijd maar bezig met plaatjes. Nog zoiets: ik schreef als klein kind mijn naam op de muren, met krijt. Ik ben blij dat mijn ouders me zo vrij hebben gelaten. Ze zeiden nooit: ‘Ga toch eens met een voetbal spelen.’ We mochten allemaal doen wat we wilden. En op onze kamers hadden we helemaal vrij spel.”

Hoe zag uw kamer eruit?
“Die heeft alles gehad. Op een gegeven moment heb ik alle behang eraf gestroopt, omdat ik die vergeelde muren met dat stucwerk zo mooi vond. Vervolgens moest de vloerbedekking eruit, omdat er heel mooie versleten planken onder lagen. Toen leefde ik in een compleet gestripte kamer. Mijn ouders vonden het prima en ik vond het prachtig.”

Hoe ziet uw huis er nu uit?
“Laat ik het een eclectische verzameling noemen. Ik woon op de Wallen, boven mijn oude atelier. In het pand dat vroeger het kantoor van Charles Geerts was. Het staat er vol met dingen die ik door de jaren heen heb verzameld. Afgebladderde oude krukken en ander oud spul. Ik hou van spullen met een ziel.”

Waar komt uw hang naar nostalgie vandaan?
“Mijn oma en mijn tante handelden in antiek. Antieke spullen hebben altijd mijn fantasie geprikkeld. Bij mijn oma hingen immense kroonluchters boven tafel, dat vond ik zo mooi; het was er net een twinkelpaleis. Als kind mocht ik nergens aankomen, dat maakte het natuurlijk alleen maar spannender. Boven op zolder stonden de afgedankte spullen, daar mocht ik wel aan zitten. Ik begreep als kind niet waarom die spullen afgedankt waren. En ik vind nog steeds dat iets dat beschadigd is niet meteen afgedankt hoeft te worden.”

En dus maakt u nu jurken van antieke, brokate priestergewaden en jasjes van oude postzakken?
“Ja. Nieuw en gepolijst lijkt tegenwoordig de standaard te zijn. Wat een leven heeft gehad, moet weg omdat het niet past in de snelle consumptiemaatschappij van nu. Dat vind ik jammer. Ik vind het juist zo’n mooi idee dat de postzakken die ik voor een aantal jasjes heb gebruikt een geschiedenis hebben; dat er liefdesbrieven en belastingaanslagen in hebben gezeten.”

Het postzakjasje is beroemd sinds prinses Máxima er anderhalf jaar geleden de Arnhem Mode Biënnale mee opende. Wat betekent het voor u dat Máxima klant is?
“Ik praat nooit over klanten. Dat vind ik niet gepast. Zelfs als mensen zeggen dat ik erover mag praten, doe ik het niet. Het is niet aan mij om te vertellen dat iemand een jurk bij me koopt. Natuurlijk was ik vreselijk blij dat de prinses in een van mijn ontwerpen rondliep en dat de pers daar aandacht voor had. Maar het gaat om háár in die jurk. En niet om mij. Dat klinkt als valse bescheidenheid, maar ik vind het nog steeds een eer als een klant mij benadert voor een jurk. Of het nu om een prinses of een onbekend iemand gaat. Een klant moet zich aan mij overgeven en mij vertrouwen. Couture is iets heel persoonlijks. Uiteindelijk probeer ik niet te veel na te denken over wie mijn klanten zijn. Ik moet gewoon mooie jurken maken. En die moeten niet voor de een anders zijn dan voor de ander.”

Ik praat nooit over klanten, couture is iets persoonlijks, maar natuurlijk was ik blij met Máxima’

Waarom noemt u zichzelf liever geen couturier?
“Couturier is een uitgehold begrip in Nederland. In Frankrijk moet couture aan bepaalde standaards voldoen, maar in Nederland hoeft dat niet. Ik vind het een woord uit een andere tijd. Ik noem mezelf liever een modeontwerper die mooie jurken maakt. Zo houd ik het gemakkelijk. Een naaister noem ik ook geen coupeuse.”

Wat vindt u van het Nederlandse modeklimaat?
“We hebben een vliegende start gemaakt toen Amsterdam Fashion Week begon, nu ruim vijf jaar geleden. Iedereen deed mee, van ontwerpers tot pers en gemeente. Inmiddels beseft iedereen dat mode meer behelst dan het presenteren van een collectie tijdens Amsterdam Fashion Week en ligt de nadruk op economisch bestaansrecht. Ik ben benieuwd hoe dat zich zal ontwikkelen. Nederland heeft veel modetalent, maar niet iedereen is even goed in het runnen van een bedrijf.”

In 2009 was u bijna lid van de Chambre Syndicale de la Haute Couture, de hemel voor couturiers. Dat zou een officiële vermelding op de agenda van de Parijse haute coutureweek betekenen. Die heeft u nog niet. Wat ging er mis?
“Vanwege de recessie werd alles stilgezet. De Chambre wilden geen nieuwe leden toelaten. Niet zo gek, want de Chambre is de bewaker van het imago van de couture. Als ze nieuwe leden toelaten die even later failliet gaan, komt dat de branche niet ten goede. En er was al zo’n discussie over de haalbaarheid van couture. Gelukkig begint het nu weer op te klaren. Ze hebben onlangs een aantal Franse ontwerpers toegelaten. Misschien ga ik het opnieuw proberen. Maar het is momenteel niet mijn hoogste doel. Ik geef al presentaties in Parijs, en die worden steeds beter bezocht.”

Nog iets wat misging: uw eerste prêt-à-portercollectie. Na één seizoen was het afgelopen. Waarom?
“De samenwerking met de twee zakelijke partners liep stuk. Zij waren niet de juiste partij. Ik dacht dat het moeilijker zou zijn om een goede naaister te vinden. Er studeren jaarlijks zoveel meer zakelijke types dan ambachtslieden af, maar het valt niet mee om een betrouwbaar zakelijk iemand te vinden. Ik dacht dat ik deze partij blindelings kon vertrouwen, maar uiteindelijk bleek uit de papieren – toen ik ze compleet had, heb ik ze meteen aan mijn familie laten lezen – dat ze een aandeel van zestig procent wilden. Ik heb niet getekend. Daarom bleef het bij één seizoen. Inmiddels kan ik zeggen dat het een leerzame ervaring is geweest. Ik sluit niet uit dat ik het nog eens doe, maar dan wel op mijn manier.”

Hoe belangrijk is uw familie?
“Mijn familie is heel belangrijk voor mij en voor mijn bedrijf. Het geeft me een veilig gevoel om te weten dat mijn familie achter me staat. Ze helpen me ook flink. Zo waren mijn moeder en mijn schoonzus de afgelopen weken, tijdens de aanloop naar de shows, dagelijks in het atelier aan het borduren.”

Hoe groot is uw team?
“Ik heb twee mensen in dienst die fulltime naaien. Hopelijk komen daar binnenkort mensen bij, voor de demi-couture. Daarnaast werk ik met externe partijen, waaronder een persbureau in Nederland en een in Parijs. En ik werk met freelancers die bepaalde ambachten vertegenwoordigen. Zo vlak voor de shows zit er al snel een man of dertig in het atelier.”

U bent direct na uw afstuderen voor uzelf begonnen. Waarom zo snel?
“Ik wilde niet eerst wennen aan de luxe van een vaste baan, een goed inkomen en een auto. Op dat moment wist ik precies hoe het was om zonder geld kleren te maken. Ik was bang dat ik de stap niet meer zou maken als ik het niet meteen zou doen. Bovendien: ik had het gevoel dat ik iets te vertellen had.”

Wat wilt u vertellen?
“Ik wil vrouwen nog mooier maken. Ik ben geen overdreven conceptueel ontwerper. Het is niets voor mij om mijn gedachtengoed achter een collectie in, bijvoorbeeld, een vierkante doos te vertalen. Ik wil dat wat uiteindelijk op de catwalk verschijnt, herkenbaar is als een mooie jurk. Als ik in opdracht werk, hou ik rekening met de wensen van mijn klanten. Tijdens een show leef ik me uit. Die jurken mogen grootser en meeslepender, want niemand hoeft ermee in de auto of op de fiets, die jurken hoeven alleen maar beeldschoon te zijn op de catwalk.”

Wat was het idee achter uw laatste collectie?
“Mijn werk gaat altijd over mezelf. De laatste tijd realiseer ik me in toenemende mate dat de stappen die ik heb genomen, onomkeerbaar zijn. Ik ben nu Jan Taminiau de modeontwerper geworden. Ik ben niet meer onzichtbaar. Zelfs als ik iets anders zou gaan doen, blijf ik in de ogen van bepaalde mensen waarschijnlijk altijd Jan Taminiau de modeontwerper. Ik ben een merk geworden.”

En bent u daar blij mee?
“Ja. Ik ben volledig wie ik wil zijn. En ik vind het bijzonder om te zien dat mijn naam langzaam een merk wordt. Hoewel ik het een raar gegeven vind dat mensen mijn kleding zouden kopen uit statusoverwegingen, betekent de aandacht voor het merk wel dat ik het goed heb gedaan. Ik heb nog steeds veel plezier in mijn werk. Mode blijft me fascineren en inspireren. Maar ik lach ook veel, vooral om de hysterie eromheen. Ik vind het heerlijk dat ik in de positie ben dat ik mooie dingen mag maken, maar uiteindelijk gaat het om kleren. Ik laat me niet gek maken door de mode.”

Geboren in 1955, in Goirle
1997-2001 bacheloropleiding modevormgeving aan de Kunstacademie in Arnhem
2000 stages bij Oscar Süleyman en Olivier Theyskens
2002-2003 masteropleiding aan het Fashion Institute Arnhem
2002 stage bij korsettenmaker Hubert Barrère in Parijs
2004 eerste presentatie tijdens Amsterdam Fashion Week
2007 eerste collectie voor Claudia Sträter
2007 eerste presentatie in Parijs
2008 tweede collectie voor Claudia Sträter en opening atelier Jan Taminiau op de Wallen
2010 verhuizing van zijn atelier naar Naarden

Eerder gepubliceerd op 29 januari 2011 in Het Parool (PS vd Week)

Gerelateerde artikelen:

, , , , , ,