Interview: Sander Lak

Sander Lak heeft geen minuut getwijfeld toen hij door Balmain benaderd werd. Niet dat hij het niet naar zijn zin had bij Philip Lim in New York, maar hij zou wel gek zijn een aanbieding van één van de meest toonaangevende modehuizen van dit moment te laten lopen.

Tekst: Bregje Lampe
Foto: Karoly Effenberger

Sander Lak, thuis in Parijs

Lak gaat bij Balmain aan de slag als mannenmodeontwerper. Veel meer kan hij daar niet over vertellen, want in zijn contract staat dat hij niet mag praten over het bedrijf. We ontmoeten hem tijdens de Parijse modeweek, als hij net een week in Parijs woont – op stand, in het zesde arrondissement. Het is een behoorlijke omschakeling na New York, maar Lak is wel wat gewend. Voordat hij bij Philip Lim ging werken, zat hij anderhalf jaar in Londen, waar hij een masteropleiding aan het prestigieuze Central Saint Martins volgde. En eigenlijk woont hij al sinds zijn afstuderen, drie jaar geleden, niet meer in Nederland.
“Ik ben gewend voortdurend te verhuizen. Mijn vader werkte bij Shell. Als kind heb ik in Maleisië, Schotland en Afrika gewoond. Totdat mijn vader in 1991 overleed, toen heb ik een hele tijd in Vught gewoond,” zegt Lak. In zijn appartement is nauwelijks een persoonlijke noot te ontdekken. Logisch, het is een tijdelijke woning, in bezit van kennissen van zijn ouders. Hij kan ongeveer een maand blijven. Maar Lak heeft niet veel nodig om zich thuis te voelen: een stapeltje dvd’s, een paar bladen en wat boeken, waaronder een boek over Dries Van Noten en de eerste roman van Jan Cremer.
Je kunt hem een nomade noemen. “Ik heb geluk dat ik nergens aan vastzit, ik hoef niet meer dan een stuk of veertig dingen me te slepen als ik verhuis. Natuurlijk heeft mijn levensstijl consequenties voor mijn sociale leven, maar de mensen die ik ontmoet, begrijpen dat. Veel van mijn goede vrienden hebben net zo’n leven. Bovendien is de modewereld niet heel groot. Of ik nu in Londen, New York of Parijs ben, steeds kom ik dezelfde mensen tegen.” Zijn docenten vonden het niet nodig, maar Sander Lak koos ervoor na zijn studie aan de Artez Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem nog een masteropleiding aan Central Saint Martins te doen. “Dat is de beste keus die ik ooit gemaakt heb. Die opleiding heeft een enorme impact op me gehad. Als ontwerper, maar ook als mens.”
“Het is ontzettend heftig, want ze willen dat je werk voor honderd procent persoonlijk is. In Arnhem werd mijn persoonlijkheid nog wel met rust gelaten, in Londen werd ik af en toe keihard met mezelf geconfronteerd,” zegt Lak. “Fuckface was één van de scheldwoorden die hoofddocent Louise Wilson wel eens gebruikte. Uiteindelijk heeft ze mijn stijl er wel uit weten te trekken. Tijdens de afstudeershow zei ze dat ze trots op me was.” Zijn afstudeercollectie was begin vorig jaar te zien tijdens het officiële programma van London Fashion Week. In april was Lak officieel klaar met zijn opleiding. Voordat hij met solliciteren begon, heeft hij twee maanden helemaal niets gedaan. “Ik kon niet meer, ik was helemaal kapot.”
Toen hij begon met solliciteren, was het New Yorkse label Philip Lim de eerste die hem per direct een baan aanbood. En wat voor baan: Sander Lak werd meteen hoofdontwerper van de mannencollectie. Lak beschrijft Philip Lim, dat zich in Amerika kan meten met labels als Marc Jacobs en Alexander Wang, als een typisch Amerikaans bedrijf. “Het gaat om de verkoop, daar zijn ze heel erg goed in. Wat esthetiek betreft, is de stijl van Philip Lim niet helemaal mijn ding, maar dat was ook niet mijn insteek. Ik vond het belangrijk inzicht in de zakelijke kant van de mode te krijgen, want daarover heb ik tijdens mijn studie niets geleerd.”

In Londen werd ik af en toe keihard met mezelf geconfronteerd’


In Nederland wordt het gebrek aan zakelijke kennis van pas afgestudeerde modeontwerpers nogal eens geweten aan een gebrekkig onderwijssysteem, maar daar is Lak het niet mee eens. “Zowel bij Philip Lim als bij Balmain ben ik aangenomen als ontwerper. Ontwerpen is mijn vak, daarin ben ik zes jaar lang geschoold, dat beheers ik. De rest is kennis.”
“Natuurlijk is het handig te weten hoe het verkoopproces werkt, maar uiteindelijk ben ik niet degene die de kleren verkoopt. Een journalist hoeft toch ook niet tijdens zijn studie te leren hoe een krant precies wordt gedrukt? Het voorbije halfjaar heb ik geleerd hoe het is om voor iemand anders te werken. Daar heb ik in het begin veel moeite mee gehad. Door al dat studeren was ik eraan gewend geraakt dat ik alles kon maken wat ik wilde. Ineens kon dat niet meer, ineens ging het om grote bedragen. En dat was soms even schrikken, ik was nog nooit bezig geweest met de verkooppotentie van mijn ontwerpen.”
“Het is dubbel: aan de ene kant vond ik het prettig een vast salaris te krijgen, aan de andere kant vond ik het heel moeilijk met zoveel meer dingen rekening te moeten houden. En dan heb ik nog geluk gehad, want ik mocht bij Philip Lim een heleboel zelf bepalen. De baan bij Philip Lim heeft me geleerd het ontwerpen meer als werk te zien. Toen ik studeerde, maakte mijn werk, hoe triest dat ook klinkt, 99 procent van mijn leven uit. Ik had nooit het gevoel dat ik klaar was, kon hele nachten doorhalen. Bij Philip Lim werkte ik volgens een vaste structuur. Toen beheerste mijn werk nóg negentig procent van mijn leven, maar ik was wel soms ‘s avonds vrij.”
“Door mijn werk ben ik ook op een andere manier naar mode gaan kijken. Vroeger haalde ik uit elke collectie de items die dichtbij mezelf stonden. Nu probeer ik, met de ervaring die ik heb bij een bedrijf, te achterhalen hoe andere bedrijven werken. Ik kijk meer naar het totaalbeeld en de manier waarop een merk zich profileert, dan naar bijvoorbeeld het stiksel op een broekzak.”
Die kennis kan hem nog van pas komen, mocht hij ooit zijn eigen label opzetten, een optie die hij voorlopig open wil houden. “Het is niet zo dat een droom gesneuveld is als dat nooit gebeurt, maar natuurlijk streef ik als ontwerper naar volledige creatieve vrijheid. De komende tijd wil ik zoveel mogelijk leren. Ik weet nog lang niet precies hoe de internationale modewereld werkt en ik vind ik het belangrijk zo veel mogelijk ervaring op te doen. Bovendien: ik ben 25, ik heb nog geen idee hoe mijn carrière zich verder zal ontwikkelen. Nu gaat het erg goed, ik hoop dat het voorlopig zo blijft.”

Het Parijse modehuis Balmain, waar Sander Lak de mannenlijn onder zijn hoede heeft genomen, is net na de Tweede Wereldoorlog opgericht door Pierre Balmain (1914-1982). Het was in de jaren vijftig en zestig bekend vanwege de elegante mode voor deftige dames van een zekere leeftijd. Dat Balmain tegenwoordig een toonaangevend label is, is te danken aan de Franse ontwerper Christophe Decarnin (1964). Met flinke schouders, nauw sluitende glitterstoffen, metalen beslag en jeans met rafelgaten is het hem gelukt om van Balmain in slechts drie jaar hét label voor rockchicks te maken.
Carine Roitfeld, hoofdredacteur van de Franse Vogue, is één van zijn bekendere fans. Met haar rockchick uiterlijk – stijl, vet haar, zwart omrande ogen, hoge hakken, strakke rokken om een frêle lijf – draagt zij het nieuwe Balmainbeeld met verve uit. Ook Emanuelle Alt, fashion director van de Franse modeblad, loopt weg met de ontwerpen van Decarnin. Tijdens de laatste modeweken maakten beide dames meermaals hun entree in één van de breedgeschouderde jasjes uit de nieuwe voorjaarscollectie. En zulke fans sorteren effect: de verkoop van de vrouwenmode van Balmain verdubbelt tegenwoordig per jaar.
In Amsterdam worden de heren,- en damescollecties van Balmain verkocht bij Ennu, Cornelis Schuytstraat 15, tel. 6735261, www.ennu.nl

Eerder gepubliceerd in Het Parool op 31 maart 2009 (PS Stijl)

Gerelateerde artikelen:

, , , ,