Dubbelinterview: Monique van Heist & Hans Ubbink

Foto's: Karoly Effenberger

Hans Ubbink produceert drie collecties per jaar, voor mannen en vrouwen. Monique van Heist werkt aan Hello Fashion, een ‘eeuwigdurende’ collectie. Ubbink verkoopt zijn toegankelijke mode in 163 winkels in Nederland. Van Heist, die net zulke draagbare kleding maakt, heeft 19 verkooppunten verspreid over Nederland,een ontmoeting.

Natuurlijk kent Monique van Heist (Haarsteeg, 1972) Hans Ubbink van naam. Maar ze hadden elkaar nog nooit ontmoet. Zo op het eerste gezicht hebben ze ook niet zoveel gemeen. Hans Ubbink (Doesburg, 1961) – type metroseksuele man in een velours jasje – gaf begin dit jaar een grote show in Carré. Veel tamtam, en volop bekende Nederlanders op de eerste rij. Van Heist – een stoere meisjesachtige vrouw in jeans en een ruimvallend leren jack over een zijden top – geeft al ruim drieënhalf jaar geen shows meer. De hippe voorhoede loopt met haar weg en haar kleding is te koop bij toonaangevende winkels als SPRMRKT.

“Toen ik begon, wist ik niet beter dan dat een catwalkshow de enige methode was om mijn kleding te laten zien. Maar ik had vrij snel door dat het maken en verkopen van een goed product een hele andere tak van sport is dan het geven van een goede show. Ik heb voor mijn product gekozen. Niet dat ik modeshows afkeur, maar het is presentatievorm die niet bij mijn manier van werken past,” zegt Van Heist. Haar keus werd – het Nederlandse modewereldje is nogal presentatiegericht – niet altijd begrepen. Tot jaar of drie geleden kreeg ze nog wel eens de vraag waarom ze gestopt was, terwijl haar kleding op dat moment in vijf winkels hing.

“Ik geef shows omdat ik het leuk vind,” zegt Ubbink, die toegeeft dat zijn shows veel gratis publiciteit opleveren en als een leuk uitje voor winkeliers gelden. “Ik ben ermee begonnen omdat ik met een feestje wilde laten zien wat ik in mijn atelier had gemaakt. De publiciteit is mooi meegenomen, maar ik als ik hetzelfde bedrag in advertenties zou investeren, zou dat best meer publiciteit kunnen opleveren. Gelukkig is het rendement van een show niet exact te meten. Ik weet alleen dat showen vreselijk duur is. Als ik de precieze cijfers zou weten, zou ik er misschien wel mee stoppen. Maar daar vind ik het veel te leuk voor.” Van Heist: “Dus de show is een cadeautje aan jezelf?” Ubbink: “Ja, zo kun je het wel zien. Ik vind een show niet per se de ideale manier om een collectie te presenteren. Uiteindelijk gaat het om wat er in de showroom hangt. Er is geen inkoper die louter aan de hand van de show een collectie samenstelt. Mode moet je kunnen voelen.” Van Heist: “Precies, de catwalk is mij te afstandelijk.
Bovendien heb ik er moeite mee dat tijdens een show meisjes van vijftien kleding laten zien die is bedoeld voor vrouwen van boven de dertig. Ik maak heel bewust gebruik van echte mensen om mijn kleding te laten zien.” Ubbink: “Toen ik begon, plukte ik nog wel eens modellen van de straat en liet ik de vrouwen- collectie op modellen met maat 38 zien. Na verloop van tijd ben ik overgestapt op model- len met maat 36 omdat het steeds moeilijker werd om modellen met maat 38 te vinden. En op het moment dat ik mijn kleding op jongere en dunnere meisjes liet zien, kreeg ik het compliment dat ik zo modieus was geworden. Zo werkt de modewereld.” Van Heist: “Maar zo wil ik niet werken.”

Monique van Heist

Monique van Heist heeft haar non-conformistische mentaliteit ten opzichte van het bestaande mode systeem omgezet in een eigen systeem. Hello Fashion, waarmee ze eind 2008 de Dutch Fashion Award won, is een doorlopende collectie waaraan wel kleren worden toegevoegd, maar waaruit niets wordt wegge- haald. Op die manier wil ze de door commerciële krachten gesuggereerde vergankelijkheid van mode aan de kaak stellen. In feite doet Van Heist het omgekeerde van wat de modewereld dicteert. Ze maakt niet elk jaar een variatie op, bijvoorbeeld, een bandplooibroek, maar ze maakt één bandplooibroek die steeds opnieuw kan worden besteld. “Ik heb mijn eigen systeem ontwikkeld omdat ik de vrijheid wil hebben om een paar maanden te kunnen werken aan een heel goede broek, jas of jurk. Ik pretendeer niet dat mijn systeem beter is dan andere systemen. Het is simpelweg de manier waarop ík wil werken. Ik zie mode liever als productvormgeving. Een kledingstuk moet, net als een stoel, op zichzelf kunnen staan. Als modeontwerper word je gedwongen om nieuwe producten op de markt te slingeren terwijl oude nog niet eens af zijn,” zegt Van Heist. Ubbink: “Dat snap ik wel. Ik vind het heel frustrerend dat ik ontwerpen steeds moet aanpassen. Als ik hetzelfde V-hals shirt opnieuw uitbreng, omdat ik ervan overtuigd ben dat het om het ultieme shirt gaat, zegt de verkoopafdeling dat ik er iets aan moet veranderen. Want als het niet nieuw is, krijgen ze het niet verkocht.”

Van Heist: “Volgens mij herhalen heel veel grote modeketens hun modellen, maar durft niemand daar openlijk voor uit te komen. Ik heb lang getwijfeld of mijn manier van werken zou kunnen slagen. Maar het werkt. Ik denk dat veel mensen het beu zijn dat dingen steeds veranderen; ze zijn moe van de overconsumptie,” zegt Van Heist, die zolang mogelijk met een patroon probeert te doen en vernieuwing zoekt in materiaalgebruik.

“Mijn werk gaat over de houdbaarheid van mode. Als een broek nu op de markt komt, is die over vijf jaar misschien niet meer zo interessant. Wanneer wordt die dat weer wel? Ik ben niet op zoek naar tijdloosheid, maar naar extreme eigenheid.”


Hello Fashion bestaat inmiddels uit ongeveer zestig artikelen, die gepresenteerd worden in een catalogus. Nu zijn dat nog vooral kledingstukken, maar Van Heist sluit niet uit dat ze op een gegeven moment ‘klaar’ is met de vormgeving van kleding.

Ze heeft haar concept bewust zo geformuleerd dat er ook ruimte is voor, bijvoorbeeld, een ‘een heel goede fietstas’. Zelfs een meubel, een recept of make-uptips kunnen in de catalogus van Hello Fashion terechtkomen. Als het maar met Van Heists ‘visie op mode’ te maken heeft. “Ik maak niet iets omdat ik denk dat het een trend zou kunnen worden. Ik maak iets omdat ik denk: zoiets zou ik zelf wel willen hebben.”

Hans Ubbink ontwerpt ook vanuit zichzelf. Hij maakt draagbare mannen- kleren die het midden houden tussen casual en gekleed. Na een avondopleiding aan de academie in Arnhem ging hij aan de slag voor Nederlandse merken als Soap Studio en Van Gils. In 1991 begon hij JC Rags, een commercieel mannenmodemerk. Toen de relatie met de geldschieter na een half jaar stukliep, begon hij Book’s, ook een mannenlabel. Elf jaar geleden, nadat modegroep Secon zich had teruggetrokken uit Book’s, begon hij met zijn vriendin Ans – ze zijn inmiddels ruim dertig jaar samen – een modelabel onder eigen naam. Sinds tien jaar maakt Ubbink ook kleding voor vrouwen; iets minder vooruitstrevend dan zijn mannenmode, maar net zo draagbaar. Zijn grootste succes is het gebloemde mannenoverhemd, dat hij in 2001 voor het eerst liet zien en dat niet meer is weg te denken uit het straatbeeld sinds het wordt gedragen door Nederlandse tv-presentatoren en cabaretiers. Het heeft hem de bij ingevoerden in het modewereldje de bijnaam ‘de Nederlandse Paul Smith’ opgeleverd. Ubbink: “Het was een reactie op de eeuwige unihemden van toen. Ik breng er nu nog maar een of twee per jaar uit, want ik zie tegenwoordig zoveel slechte imitaties. Lelijke hemden zijn dat, met van die grote boorden. Soms heb ik er bijna spijt van dat ik ze heb bedacht.”
Van Heist: “Het lijkt me heel tof dat mensen meteen een beeld hebben als ze aan je denken.” Ubbink: “Vanwege de lelijke namaak vind ik het stigma van die frivole printjes de laatste tijd nogal vervelend. En het is een momentopname. De eerste collecties die ik liet zien waren heel anders, toen werden Jil Sander en Helmut Lang als referentie genoemd. Ik laat tegenwoordig bewust nog maar weinig prints zien. Maar zelfs als ik een show geef met 26 effen sets en twee prints, worden die twee printjes eruit gepikt door de pers.” Van Heist: “Ach, er wordt zoveel onzin geschreven. Ik probeer me daar zo min mogelijk van aan te trekken.”
Ubbink: “Ik lees ook geen modetijdschriften meer omdat ik daar onrustig van word. Als ik naar al het commentaar geluisterd zou hebben, was van mijn stijl niet meer overgebleven dan een simpele broek en een wit T-shirt. Uiteindelijk gaat het om de relevantie die je hebt in het leven van de drager. Als je kunst wilt maken, kan dat ook in de vorm van een jasje.

Voor mij is het grootste compliment een klant die zegt dat hij zich lekker voelt in mijn kleding.”

 

Hans Ubbink

Als het over draagbaarheid gaat, liggen de opvattingen van de beide ontwerpers niet zover uiteen. Van Heist maakt net zo goed draagbare kleding, zij het wat avantgardis- tischer dan Ubbink; ze zet in op een mode- bewust publiek, zoals het type mensen dat bij SPRMRKT koopt. Vanwege haar eigenzinnige filosofie doet haar werk soms denken aan het vroege werk van de Belgische Martin Margiela; ook Van Heist probeert kleren te maken met een gedachte erachter.
Een van de best verkochte ontwerpen van Van Heist is Don Summer, een oversized colbert dat ze drie jaar geleden voor het eerst liet zien en dat ze nu, behalve in katoen en zijde, ook in dikke wol uitvoert. Nog een hit: bandplooibroek Natasja, die al sinds najaar 2008 meedoet. Sinds Van Heist met twee agenten werkt, is het aantal winkels waar haar kleding wordt verkocht flink gestegen. Negentien verkooppunten heeft ze nu, in Nederland, België en Ierland. Overigens een fractie vergeleken met de 163 winkels in Nederland waar Ubbink, die werkt aan een mogelijke uitbreiding naar het buitenland, zijn drie collecties verkoopt.

Van Heist: “Ik ben de laatste tijd snel gegroeid. Dat vind ik soms best lastig, want toen ik driehonderd kledingstukken liet maken, was het nog wel te overzien. Nu moet ik ineens drie keer zoveel stof bestellen. Het wordt steeds abstracter. Hoe doe jij dat?” Ubbink: “Bij mij bestaat een collectie soms al uit driehonderd stuks, maar ik heb mensen in dienst die me helpen.” Van Heist: “Hoeveel?” Ubbink: “Vijftien. Ans en ik hebben altijd gezegd dat we nooit meer dan vijftien mensen in dienst willen hebben. We willen samen om de lunchtafel kunnen zitten, en dat kan nu nog net. Heb jij niemand in dienst?” Van Heist: “Ik werk met een stuk of zeven freelancers, van patroonmakers tot fotografen. Verder vind ik het fijn om alleen te werken. Ik ben zo blij dat ik niet iedere dag naar een kantoor hoef, maar dat ik mijn eigen studio heb waar ik kan doen wat ik wil.” Ubbink is van plan om mettertijd schoenen, brillen, tassen en eventueel cosmetica aan zijn collectieportfolio toe te voegen. Van Heist weet nog niet hoe de ideale toekomst van haar bedrijf eruitziet. “Ik vraag me voortdurend af hoe groot ik wil worden. Het lijkt erop dat in de mode alles sky high moet, maar misschien ben ik wel heel erg happy als ik iedere week een kledingstuk voor een heel rijk iemand maak.” Ubbink: “Ik vind het heel mooi dat je die helderheid hebt, dat je je bewust bent van het feit wat er gebeurt als je meer mensen wilt bereiken. Voor je het weet zit je vast in een logistiek proces.”

Beide ontwerpers hebben het idee dat de consument maar weinig oog heeft voor het ambacht van de mode, omdat modeprogramma’s en bladen de nadruk leggen op wat Van Heist en Ubbink de ‘oppervlakkige kant’ van mode noemen. Van Heist: “Aan de mode kleeft een aura van glamour en luxe, terwijl maar heel weinig mensen stilstaan bij het proces dat eraan vooraf gaat voordat een jasje in de winkel hangt. Van de andere kant: als ik had geweten wat er allemaal bij mode komt kijken, was ik misschien bakker geworden. Lekker ambachtelijk. En over brood wordt tenminste niet zoveel gekletst als over kleren.”

Van Heist: ‘Mijn werk gaat over de houdbaarheid van mode. Ik ben niet op zoek naar tijdloosheid, maar naar extreme eigenheid’

Als puber nam Ubbink zich voor om nooit zoveel te gaan werken als zijn vader, Chris Ubbink, een marketingman die naam maakte met het Monatoetje. Inmiddels werkt Ubbink, vader van twee kinderen, zo’n zeventig tot honderd uur per week. Ubbink: “Ik ben ongelooflijk vastberaden in wat ik wil bereiken. Ik ben opgegroeid met het motto dat je best doen niet goed genoeg is, het resultaat moet ook goed zijn.” Van Heist: “Ik kom ook uit een actief gezin. Daar heb ik nog steeds wel eens last van, maar ik werk echt geen honderd uur per week. Ik denk dat ik ongeveer vijftig uur per week werk. Ik heb een tijdje te hard gewerkt. En sinds ik minder werk, ben ik meer gaan verkopen. Nu vraag ik me af of ik nog minder kan gaan werken. Volgens mij is het een kwestie van een slimme aanpak. Ik probeer er voortdurend achter te komen waar precies de kracht van mijn bedrijf ligt.” Ubbink: “Ik heb altijd gedacht dat ik meer ruimte voor creativiteit zou hebben als ik net iets harder zou werken. Het afgelopen jaar is zwaar geweest omdat de collecties groter zijn geworden, onder meer omdat ik heb nieuwe producten zoals leren tops en donsjacks heb toegevoegd. Maar ik vind het niet erg om hard te werken. Ik doe wat ik leuk vind.”
Van Heist: “Ik ook, maar ik wil niet dat stigma van een veel te hard werkende modeontwerper dragen. Werk is maar een ding dat we onszelf opleggen; ik wil niet dat mijn leven alléén maar om werk draait. Ik speel met het idee om een keer naar Santiago de Compostela te lopen. Niet dat ik een identiteitscrisis heb, maar ik zou wel willen weten wie ik ben als ik niet werk, maar ergens tussen stinkende pelgrims loop. Ik koester de vrijheid in mijn hoofd. Zo probeer ik ook vaak te bedenken hoe de wereld eruit zou zien als mode niet bestond.”

Eerder gepubliceerd op 3 maart 2011 in Het Parool (modemagazine)

Gerelateerde artikelen:

, , ,