Portret van drie familiebedrijven

Of het nu om maatpakken, kikkererwten of taartjes gaat. Door drie Amsterdamse familiebedrijven worden ze met dezelfde bevlogenheid verhandeld.

Foto’s: Maarten Bezem

Vlnr: Martijn, Oger en Sander Lusink

Hij heeft grote investeerders altijd bewust buiten de deur gehouden, zegt Oger Lusink (65). Niet dat hij nooit een aanbod heeft gehad. “Als ik dat zou willen, kan ik mijn naam morgen voor een flinke zak geld verkopen; Oger behoort immers tot de vijftien beste retailers op het gebied van mannenmode ter wereld. Maar ik zie mezelf niet zitten met een zak geld op een boot in Frankrijk. Daar zou ik hartstikke ongelukkig van worden. Ik heb dit bedrijf ook voor mijn zoons gebouwd. Stiekem is het altijd mijn grote wens geweest dat zij het zouden overnemen.”
Sander (34) en Martijn (33) Lusink, die sinds eind vorig jaar de leiding hebben, begonnen al op hun twaalfde in de zaak van hun vader. Als afwassers. “Wij waren als kind heel graag in de zaak. Als je een vader hebt die veel werkt, is het heel leuk om te weten wat hij doet,” zegt Martijn, die sinds zijn negentiende fulltime voor Oger werkt. “Ik had niks met school. Op mijn negentiende heb ik mezelf uitgeschreven op het mbo. Daarop kreeg ik twee keuzes van mijn moeder: of werken bij de marine of aan de slag in de zaak van mijn vader.”
“Ik vond het niet erg dat Martijn ervoor koos zijn opleiding te staken. Ik had allang gezien dat hij talent had. Martijn is een heel goede inkoper, hij heeft smaak en stijl. En dat zeg ik niet alleen omdat ik zijn vader ben. Ermenegildo Zegna en één van de inkopers van Harrod’s hebben allebei wel eens tegen me gezegd dat ze hem zo in dienst zouden willen nemen,” zegt Oger.
Voor Sander was de keuze voor de zaak van zijn vader minder vanzelfsprekend. “Ik heb er een hele tijd voor nodig gehad om uit te zoeken wie ik ben en waar mijn kracht ligt,” zegt Sander, die tegenwoordig verantwoordelijk is voor marketing en public relations. Hij volgde een hbo-opleiding marketing en communicatie en raakte tien jaar geleden pas intensief bij de zaak betrokken, toen hij de website ging opzetten.
Of ze nadeel hebben ondervonden van hun status als zoontje van de baas? “Absoluut. Vooral in mijn hoofd heeft dat een grote rol gespeeld. Toen ik begon, werkte ik altijd harder dan collega’s,” zegt Martijn. “Ik had er wel even moeite mee dat wij een functie verwierven die anderen misschien ook hadden willen hebben. Maar inmiddels ben ik ervan overtuigd dat we het verschil kunnen maken,” zegt Sander.
Eind dit jaar opent Oger een webwinkel. Voorlopig is continuïteit hun belangrijkste streven. “Dat is altijd zo geweest. Ik ben vrij conservatief als het gaat om zakendoen. En zo heb ik mijn zoons ook grootgebracht,” zegt Oger. Maar de huidige directeuren hebben grootse toekomstplannen: Oger moet een merk worden dat ook in andere winkels wordt verkocht. “Dat is altijd mijn grote droom geweest,” zegt Martijn Lusink.

Vlnr: Mehmet, Mustafa en Emrah Genco, met op de arm zijn zoontje Arda

Emrah Genco (27), derde generatie van de familie Genco, wil de supermarkt in de Javastraat waar hij sinds een jaar de leiding over heeft, ook graag uitbouwen. “Van mij zouden we wel wat bekender mogen worden, zodat we meer vestigingen in de stad kunnen openen. Misschien met behulp van franchisenemers. Ik wil graag dat het bedrijf groeit, maar ik weet niet of de familie daar groot genoeg voor is,” zegt Emrah. “Wij werken het liefst met familie. Op familie kun je rekenen. Bij ons in de familie staat iedereen in de zaak,” zegt zijn vader Mehmet Genco (50).
Mehmet is de zoon van Mustafa Genco (77), die aan de wieg stond van de Gencowinkels in Oost; zijn jongere broer Mehmet-Ali Genco zette de Gencowinkels in De Pijp op. Mustafa kwam in 1965, na de dood van zijn vader, vanuit Gaziantep, een stad in het zuidoosten van Turkije, naar Nederland. Hij was één van de gastarbeiders die eind jaren zestig werden geronseld om hier te komen werken. Na een serie fabrieksbaantjes besloot hij samen met zijn jongere broer een supermarkt te openen. Inmiddels heeft Genco vier vestigingen.

Genco is bij uitstek een familiebedrijf. Volgens de overlevering worden kleine kinderen zowat onder de toonbank opgevoed. “Klopt. Iedereen die kan werken, moet werken. Ik heb mijn kinderen grootgebracht met het idee dat ze hun eigen geld moeten verdienen. Aankloppen bij de sociale dienst is bij ons in de familie ten strengste verboden,” zegt Mustafa.
“Voor mij is het altijd vanzelfsprekend geweest dat ik de winkel van mijn vader zou overnemen. Ik wist niet beter. Ik heb wel even gedacht dat Emrah zou gaan studeren, maar als tiener was hij niet zo geïnteresseerd in school,” zegt Mehmet over zijn zoon.
“Ik ben opgegroeid in de winkel. Na schooltijd sprong ik vaak bij om te helpen. Toen ik op mijn zestiende van mijn ouders moest kiezen tussen school of de winkel, koos ik voor de winkel. Als ik toen het koppie had gehad dat ik nu heb, was ik misschien wel gaan studeren. Maar daar had ik op dat moment geen zin in. Ik heb wel wat opleidingen geprobeerd, maar ik was niet gemotiveerd genoeg. Ik ging liever chillen met mijn vrienden dan studeren,” zegt Emrah.
Zijn vrouw staat ook in de winkel. Maar van Emrah hoeven zijn kinderen – hij heeft een dochter van zes en zijn vrouw verwacht over een maand een tweede kind – niet per se de zaak in. “Ja. Dat zou een flinke breuk met de traditie betekenen, maar dat vind ik geen probleem,” zegt Emrah. Mehmet: “Ik sta al sinds mijn dertiende elke dag in de winkel. Dat is leuk hoor. Ik ben trots op wat we als familie hebben bereikt. We zijn flink gegroeid en we hebben mooie winkels. Maar na ruim 35 jaar heb ik er ook wel eens genoeg van.

Eerlijk gezegd hoop ik dat mijn kleinkinderen iets anders gaan doen. We zijn inmiddels wel genoeg ingeburgerd.”

Vlnr: Angela Holtkamp-Meijles en haar man Nico naast Petra en Cees Holtkamp

Ik heb geen idee of één van de kinderen de zaak later zou willen overnemen. Natuurlijk zou dat leuk zijn, maar we zullen ze niet dwingen,” zegt Nico Meijles (38), die getrouwd is met Angela Holtkamp (39). Nico en Angela namen de banketbakkerij aan de Vijzelgracht in 2002 over van Cees (70) en Petra (63) Holtkamp, die de winkel in 1969 begonnen; zes jaar nadat Cees, telg uit een bakkergeslacht van vijf generaties uit het Zuid-Hollandse dorpje Schipluiden, op kamers was komen wonen in Amsterdam.
“Ik ben een aantal keer door investeerders benaderd die de naam en het concept wilden kopen, maar daar ben ik nooit op ingegaan omdat ik de touwtjes liefst zelf in handen heb. Niet omdat ik ervan uitging dat één van de kinderen het zou overnemen. Daar waren Petra en ik nog helemaal niet mee bezig toen we de winkel openden,” zegt Cees Holtkamp. “Ik weet nog wel dat je diep beledigd was toen een investeerder ons een keer flinke zak geld aanbood met de mededeling dat we daarmee lekker in het Gooi konden gaan wonen,” zegt Petra. “Klopt. Ik wil niet weg boven de bakkerij,” zegt Cees.
Toen Angela en Nico de zaak overnamen, hebben ze daar zo min mogelijk ruchtbaarheid aan gegeven. “We wilden niet dat vaste klanten het idee kregen dat er van alles zou veranderen,” zegt Angela. Op het oog is er ook niet zoveel veranderd. Alle klassiekers, waaronder de gelauwerde garnalenkroket, zijn gebleven. Alleen het productieproces is gestroomlijnd. Cees en Petra begonnen met zijn tweeën. Tien jaar geleden telde de zaak zo’n 25 medewerkers, inmiddels zijn dat er veertig.

Volgens Cees en Petra zijn Angela en Nico ‘de redding van de bakkerij’ geweest. “Ze hebben eerst acht jaar lang in loondienst gewerkt, voordat ze de zaak overnamen. Ze weten precies wat nodig is om de kwaliteit te waarborgen,” zegt Cees.
En dat terwijl Angela en Nico een overname in eerste instantie niet aandurfden. “Holtkamp is een instituut. Het leek ons makkelijker om voor onszelf te beginnen, ergens in een dorp buiten Amsterdam. Maar uiteindelijk vonden we het een kans die we niet konden laten liggen. Het enige wat ik nog steeds moeilijk vind is dat ik orders moet geven aan mensen die mij als kind op de schommel hebben gezet,” zegt Angela.
Ze geeft toe: als ze Nico niet was tegengekomen tijdens de opleiding, had ze de stap niet genomen. “Eerder heb ik het er wel met mijn jongste broer Caspar over gehad, maar hij wilde niet het leven leiden van onze ouders,” zegt Angela. ‘Jullie hebben geen leven gehad,’ zei hij tegen Cees en mij,” aldus Petra.
“Maar als ik het kon overdoen, zou ik het precies zo doen,” zegt Cees. Goed, ze hebben hard gewerkt. Maar we waren ook altijd thuis. Na schooltijd scharrelden de kinderen in de bakkerij. En voor alle kinderen en kleinkinderen is een bonbon gemaakt en naar ze vernoemd.

Minder salaris
Uit een recent onderzoek van de Universiteit van Rotterdam blijkt dat minder dan twee procent van alle betaalde werknemers in Nederland in dienst is van het bedrijf van zijn of haar familie. Uit dat onderzoek blijkt ook dat familie-leden die in wel dienst zijn van een familiebedrijf genoegen ­nemen met een lager salaris dan andere werknemers.
“Ik heb perioden gehad waarin de medewerkers meer verdienden dan ik. Maar ik was wel altijd trots dat ik de salarissen op tijd kon uitbetalen,” zegt Oger Lusink. Volgens het rapport ontvangen familieleden die in dienst zijn van hun eigen bedrijf gemiddeld ­negen procent minder salaris dan in voorgaande banen en elf procent minder dan reguliere werknemers.
Daarnaast zouden werknemers uit de familie harder werken; gemiddeld tot zo’n vijf uur per week.

Eerder gepubliceerd op zaterdag 31 maart 2012 in Het Parool (Economie)

 

Gerelateerde artikelen:

, , ,