Profiel: Gerda van Ravenstein

Gerda van Ravenstein is zestig geworden. Deze zomer sluit ze de Van Ravensteinvestiging in Berlijn. In Amsterdam staat ze nauwelijks meer in de winkel, maar ze is nog altijd even betrokken. Portret van de vrouw die het Nederlandse publiek de weg wees naar de Antwerpse modegolf.

Tekst: Bregje Lampe
Foto: Karoly Effenberger

Gerda van Ravenstein, thuis

Eigenlijk is ze ‘ helemaal geen klerenfanaat’. Doe haar maar een paar kwaliteitsstukken in plaats van kasten vol kleren. “Veel mensen verwachten dat ik een gigantische garderobe heb. Maar kijk: dit is het, ” zegt Gerda Van Ravenstein, terwijl ze naar haar kledingkast wijst. Twee rekken en daarboven wat ruimte voor gevouwen goed. “Ik vind het belangrijk dat ik er goed uitzie, maar ik besteed er niet veel tijd aan. Ik houd van uniformen. Per seizoen heb ik twee of drie outfits die ik heel graag draag. ”
Broeken, geen jurken. Daar is de rijzige Gerda, die het imago van een strenge dame heeft, het type niet voor. “Ik heb voor mezelf niets met dat frivole. Ik heb zelfs periodes gehad dat ik altijd een pak droeg. Dat is even uit de mode geweest, maar dat komt godzijdank weer terug. Ik heb me de laatste jaren tijd redelijk gestoord aan het straatbeeld. Amsterdam is origineel, maar bij vlagen héél erg plat. Blote buiken en diepe decolletés hebben niets met mijn gevoel voor esthetiek te maken. En sexy of vrouwelijk is niet synoniem aan bloot. ”
Ze begon haar winkel uit liefde voor mooie dingen. Dat hadden wat haar betreft ook mooie boeken of antieke objecten kunnen zijn, als ze daar meer verstand van had gehad. Ze volgde op haar twaalfde al haar eerste naailes en mede dankzij haar zus, fotomodel Apollonia van Ravenstein, kwam ze in aanraking met designerkleding. Samen met haar schoonzus Linda, ook een voormalig model, begon ze in 1991 een chic en minimalistisch winkeltje in de Runstraat, Van Ravenstein.
En dat terwijl ze een groot deel van haar leven juist alles er aan had gedaan om níet in een winkel terecht te komen. Wat niet vreemd is voor iemand die al op haar dertiende elk zaterdag in de schoenenwinkel van haar ouders stond. “Ik mocht ’s zaterdags niet afspreken met vriendinnen en ik kon geen hulpleidster worden bij de gidsen (padvinderij – red.), dat wilde ik toen heel graag. Dat klinkt nu vreselijk ouderwets, en dat is het ook, maar het was een andere tijd. Mijn ouders zijn na de oorlog met niets begonnen, ze hadden hun dochters heel erg nodig. En ik was een brave, dus ik gaf daar gehoor aan. ”

‘Amsterdam is bij vlagen héél erg plat’

Ze wilde naar de kweekschool, om onderwijzeres te worden, maar ook dat mocht niet. Ze moest werken, in de winkel en in het huishouden. Op haar vijftiende kreeg ze haar eerste vriendje; vier jaar later was ze met hem getrouwd en binnen een jaar had ze een kind. Weer twee jaar later was ze gescheiden en vertrok ze met haar zoon naar Amsterdam. “Ik ben niet depressief aangelegd, maar ik vond de gedachte dat er in Brabant op dat moment voor mij niet meer in zat dan een groter huis, een auto en meer kinderen op zijn zachtst gezegd deprimerend. ”
“In Amsterdam maakte ik vrienden in intellectuele kringen, die stimuleerden me om het avondatheneum te gaan doen. Er was toen nog geen sprake van dat ik ooit de mode in zou gaan en ik wilde niet als verkoopster in een winkel aan de slag. Om geld te verdienen, deed ik een tijd eenvoudig administratief werk bij Boek en Plaat. Simpel werk, dat kon niet anders. Ik was een goede huisvrouw, maar ik had geen vak geleerd. ”
Ze heeft, zegt ze, altijd de drang gehad om vooruit te komen. Natuurlijk is ze blij dat ze tegenwoordig boodschappen kan doen zonder zich, zoals destijds, te moeten afvragen of ze de perssinaasappels wel kan betalen. Maar haar ambitie heeft niets te maken met een materieel verlangen. “Ik ben altijd nieuwsgierig geweest naar wat ik in me heb. En ik vind het je plicht om uit jezelf te halen wat erin zit. Ik ben ook niet gaan studeren om me te ontworstelen aan mijn milieu. Ik heb er heel veel respect voor dat mijn ouders zo hard gewerkt hebben. ”

‘Mijn privéleven speelt zich grotendeels buiten de modewereld af, en dat vind ik prettig’

Met haar atheneumdiploma op zak schreef ze zich in voor een rechtenstudie. Achteraf gezien had ze ook graag een taal en literatuur willen studeren, maar ‘ dat dééd je niet als vrouw in 1975’. “Als je naar de universiteit ging, ging je in ieder geval iets doen waarmee je in de maatschappij wat wilde betekenen. Talen waren te soft voor feministen. ”
Niet dat ze heel veel met haar rechtenstudie heeft gedaan. Bij het advocatenkantoor waar ze na haar studie terechtkwam, hield ze het na een half jaar voor gezien vanwege het vele kantoorwerk.
“Als ik iets niet op een bepaald niveau kan doen, vind ik het voor mezelf niet zo interessant. Ik was 33 toen ik afgestudeerd was en erachter kwam dat ik nog heel veel moest leren wilde ik een heel goede jurist wilde worden. Daar had ik geen zin in, ik had net mijn huidige echtgenoot leren kennen. Hillebrand van Kampen, een kunstenaar. Ik kwam alweer in een andere wereld en leerde kijken en zien. ”
Dat ze niet voor haar carrière koos, zegt ze, werd haar wel verweten. Ze had immers op kosten van de staat gestudeerd. “Ik heb me van die verwijten niets aangetrokken en de beurs netjes terugbetaald. In 1984 zijn we getrouwd in Ravenna, Italië. Daar heb ik een cursus mozaïek gevolgd. Ja, daar heb ik een diploma van. ”
Ze lacht: “Ik heb zelfs een diploma van de Nederlandse Baksteenunie. Mijn man ik waren ooit van plan samen opdrachten in die richting te doen. We hebben wel eens een badkamer onder handen genomen, maar de verwachting dat we daarmee geld zouden kunnen verdienen, bleek niet reëel te zijn. ”

Gerda van Ravenstein, aan het werk

Van Ravenstein maakte in de jaren negentig naam met Belgische ontwerpers zoals Ann Demeulemeester, Dries Van Noten, Dirk Bikkembergs en Martin Margiela, maar in eerste instantie verkocht ze minder bekende Belgische merken. Dat was een kwestie van reputatie opbouwen, vertelt ze. “Kleding van bekende ontwerpers kreeg je toen niet zomaar. ” De eerste ontwerper die ze inkocht, was Dries Van Noten; daarvoor moest ze een soort examen afleggen om te laten zien dat ze een afgewogen keuze kon maken uit de collectie.
Aanvankelijk was Van Ravenstein geen succes. De winkel had voor de buurt een hoge drempel, de negen straatjes waren toen nog niet zo’n begrip op winkelgebied als nu. “Veel mensen vonden het belachelijk wat wij deden. Terwijl wij col-berts van vijftienhonderd gulden verkochten, kregen we te horen dat op de markt voor een tientje T-shirts te koop waren. Ik voelde me alsnog lerares, want ik bleef maar uitleggen over goed ontwerpen en mooie materialen en dat er geen kinderhandjes aan te pas zijn gekomen. ”
In 2000 opende ze een winkel in Berlijn, haar broer had daar al jaren een kapperszaak en ze had het idee daar ooit te zullen gaan wonen. Maar komende zomer sluit de winkel daar definitief. “Het was een tamelijk dure hobby, er moest jaren geld bij. Voor de winkel in Amsterdam is de stap naar Berlijn overigens goed geweest. Het heeft ons internationaal op de kaart gezet. ”
De laatste tijd bemoeit Van Ravenstein zich niet meer zo intensief met de verkoop. Ze loopt nog geregeld binnen, maar ze zit ook veel in haar eigen kantoor, naast de winkel. “Ik heb altijd met plezier in de winkel gestaan, maar tegenwoordig heb ik steeds minder behoefte aan reuring. Hier is het lekker rustig. ”
“Misschien is het mijn leeftijd, maar ik vind het vermoeiend de hele dag mensen om me heen te hebben. Mijn man is ook vrij rustig. Wij houden er niet zo’n druk sociaal leven op na. Ik lig uiteindelijk het liefst thuis met een boek op de bank. Mijn privéleven speelt zich grotendeels buiten de modewereld af, en dat vind ik prettig. ”
“Op deze manier wil ik me nog wel een tijdje met de winkel bezighouden. Andere mensen gaan na hun pensioen ineens geforceerd op zoek naar ‘ leuke dingen’ om te doen. Daar heb ik geen behoefte aan, ik doe nu al leuke dingen. Als ik naar Parijs of Berlijn ga om te werken, plak ik er tenminste één dag aan vast om rustig door te stad te lopen, maar ik moet er niet aan denken vijf dagen als toerist door zo’n stad te zwalken. Maar mocht ik me ooit terugtrekken uit de winkel, dan hoop ik dat het niet bij mij stopt, dat de winkel in de familie blijft. Dus blijf ik er nog even bij om te kijken of dat gaat lukken. ”

1948: geboren in Geldrop
1963: mulo en middenstandsdiploma
1966: verloofd
1967: getrouwd
1969: geboorte van zoon Barend
1971: gescheiden, verhuisd naar Amsterdam
1975: diploma avond-atheneum Knorringa
1981: afgestudeerd rechtenfaculteit GU
1984: getrouwd met Hillebrand van Kampen
1990: ondernemersdiploma Detex
1991: opening winkel in de Runstraat
1993: uitbreiding van de winkel met naastgelegen pand
1997: verhuizing naar grote winkel op de hoek van de Huidenstraat en de Keizersgracht
2000: opening winkel in Berlijn
2009: sluiting winkel in Berlijn

Eerder gepubliceerd op 19 mei 2009 in Het Parool (PS Stijl)

Gerelateerde artikelen:

, ,