Woonadres: Leidseplein

Dat ze hun plein met de hele wereld moeten delen, daar valt prima mee te leven. Geboren en getogen op het Leidseplein, zijn ze ‘meegegroeid’ met de toeristenstromen en chaos. ‘Door hier op te groeien, raak je al vroeg vertrouwd met alle malloten die op de wereld rondlopen’.

Tekst: Bregje Lampe
Portretoto’s: Dingena Mol

Henk Kouwenberg in zijn woning op het Leidseplein

Ze zeggen het zelf: ze hebben een eilandsyndroom. Van de problematiek zoals die in woonwijken als Slotervaart en Osdorp speelt, hebben ze geen idee. Maar van de veranderingen in de toeristenstroom zijn ze beter op de hoogte dan de medewerkers van het stadhuis. “Tegen de tijd dat ze daar signaleren dat er steeds meer Spanjaarden komen, zijn die Spanjaarden alweer weg,” zegt Sjirk de Romph (48).
De Romph (eigenaar van café Hoopman, Reynders, Hole in the Wall en Le Pub) is geboren op het Leidseplein. Boven café Hoopman. Hij heeft een paar jaar geleden enige tijd in Noord gewoond, maar kwam vrij snel terug naar het plein. Later heeft hij het nog eens in Laren geprobeerd, opnieuw kwam hij terug naar het plein. Sinds begin dit jaar woont hij op de Prinsengracht, op krap vijfhonderd meter afstand. En hij is nog steeds elke dag op het plein te vinden, voor zijn cafés. “Verder dan de gracht ga ik niet meer, maar het plein werd me te druk. Van donderdag tot en met zondag is het hier een 24 uurseconomie. Daar moet je maar tegen kunnen.”
Geen probleem, vinden zijn zonen Kit (24) en Todd (19), die boven café Reynders wonen. Kit: “Met dubbelglas valt de herrie reuze mee.” Bovendien: ze weten niet beter. Kit en Todd zijn, net als hun vader, opgegroeid op het Leidseplein. “Zo ongeveer mijn hele leven speelt zich binnen een straal van een kilometer van het plein af. Ik vond het heerlijk om hier op te groeien. Lekker dicht bij school. Ik rolde om acht uur mijn bed uit en dan was ik nog op tijd voor de eerste les,” zegt Kit, die net als zijn broer Todd naar het Barlaeusgymnasium ging. Voetballen deden ze in het Vondelpark, of in de buurt van de Elandsgracht.

‘Met dubbelglas valt de herrie reuze mee’

Legendarisch zijn de kampioensfeesten van Ajax die ze als kind hebben meegemaakt. Legendarisch, maar niet per se leuk. “Wat de bewoners van Zuid en de Spiegelstraat nu meemaken, hebben wij vroeger meegemaakt. En dat wens je niemand toe. Overal traangas. En ik werd ooit bijna door een ME’er opgepakt terwijl ik de deur uitliep omdat hij me voor een Ajaxsupporter aanzag,” zegt Kit. “Door hier op te groeien, raak je al vroeg vertrouwd met alle malloten die op de wereld rondlopen. Ik kijk allang niet meer om voor een man in een luier of een babypak,” zegt Todd. “En een zwerver die door het lint gaat of op straat staat te kotsen, vind ik ook helemaal niet gek meer,” valt Kit bij. Wie elke dag eerst door de kroeg heen moet om zijn huis binnen te komen, raakt wel wat gewend. Dat vonden hun klasgenootjes trouwens wel bijzonder, dat ze eerst de kroeg door moesten.

Leidseplein

Als Henk Kouwenberg (85) café Hoopman binnenstapt, kijken klanten vaak vreemd op. Ook zijn voordeur zit ín de kroeg, verscholen in een nis voorin waar een aantal portretten van schrijvers hangt die de deur aan het zicht onttrekt. Kouwenberg is de oudste bewoner van het plein. Hij is op het plein geboren, onderdeel van de derde generatie van een familie die al sinds 1884 op het plein woont. “Ik bén het Leidseplein. Ik ben volledig vergroeid met deze omgeving. Natuurlijk is er veel veranderd, maar dat is geleidelijk aan gebeurd. Ik kan me nauwelijks meer voorstellen hoe het er hier voor de oorlog uitzag,” zegt Kouwenberg.
Hij pakt een stapel foto’s en begint te vertellen. Op het stukje plein waar nu Boom Chicago zit, zaten rond 1883 een sigarenwinkel, een grafstenenhandel, een café, een garage die later een fietsenstalling werd en een broodjeszaak. De ruimte die nu wordt bezet door terrassen, was leeg, op een bloemenstal na. Waar nu coffeeshop The Bulldog zit, zat ooit een politiebureau. Café Hoopman was tot 1962 een slagerij: slagerij Kouwenberg, de zaak van de ouders van Henk Kouwenberg. In 1962 werd de slagerij overgenomen door de grootouders van Sjirk de Romph, die er een café begonnen.
Nadat de familie de zaak had verkocht, bleef Kouwenberg met zijn moeder boven het café wonen, en sinds haar overlijden in 1976 woont hij daar alleen. Aan de woning heeft hij de laatste vijftig jaar nauwelijks iets gedaan. Sinds de jaren veertig is er niets meer veranderd. Heel anders dan het gemoderniseerde appartement van zijn buurjongens, waar Ikeameubilair en een Nespressomachine staan. Kouwenberg heeft geen tv, er liggen wel kranten op de vloer. Op een salontafel staat een stel antieke koffiekopjes, een radio. Bij het raam zijn favoriete stoel. Kouwenberg excuseert zich voor de rommel en wijst op het uitzicht. Zoveel groen, kom daar maar eens om midden in de stad.
De laatste tijd loopt Kouwenberg vaak ‘s avonds laat een rondje over het plein. Om de sfeer te proeven. Dan kijk hij om zich heen, geeft hij zijn meanderende gedachten de ruimte. Neem de Stadsschouwburg. Als kind speelde hij daar ‘hoeken’; een vorm van tikkertje waarbij degene die in een hoek van het gebouw stond, niet aangetikt mocht worden. Moeilijk, want de schouwburg heeft nogal wat hoeken.
Zijn eerste vriendinnetje woonde in de Korte Leidsedwarsstraat. Met zijn vriendjes speelde hij verstoppertje op en rondom het plein. Later hing hij vaak tot ‘s avonds laat voor de fietsenstalling of de kroeg. Het gevaarlijkste wat ze ooit deden was het gooien van rotte appels naar Duitse militairen die tijdens de oorlog op het plein patrouilleerden. “We mogen van geluk spreken dat we nooit zijn opgepakt.”
Sjirk de Romph, die zich ook nog goed kan herinneren hoe hij als kind de ruimte had op het plein, is wel eens voor wangedrag gearresteerd. “Dat was tijdens luilak. Ik was een jaar of negen en ik schopte mijn voetbal per ongeluk tegen het hek van het bankgebouw dat hier toen nog zat. Blijkbaar ging er iets fout, want binnen een mum van tijd stonden er twee agenten die me meenamen naar het bureau. Ik heb toen een halve dag in het glazen kamertje gezeten,” zegt De Romph. Nee, dan nu. “Om gearresteerd te worden moet je tegenwoordig op z’n minst naakt in een boom klimmen,” zegt Todd. Kouwenberg (85): “Vroeger was het hier gemoedelijker. Het was een plein voor de buurt, horeca was er nauwelijks. Nu is de sfeer vrij afstandelijk. Maar ik vind het nog steeds heel prettig om hier te wonen. Ik ben met het plein mee veranderd. Als het vroeger leuker was, dan is dat omdat ik toen zelf jonger was en zodoende minder gebreken had.”
“Ik zou ook niet zeggen dat het vroeger beter was,” zegt De Romph, die enthousiast vertelt over de balletjes tartaar met zout die hij als kind van Kouwenbergs moeder kreeg. “Tot de jaren zeventig had het plein een buurtfunctie. In 1968 woonde ik hier nog met dertig kleine kinderen in de directe omgeving. Binnen twee jaar tijd waren er daar nog vier van over.”
Hij schetst hoe destijds de horeca in de straatjes opkwam terwijl de speciaalzaken verdwenen. Met het verdwijnen van de winkels viel de buurtfunctie weg en veranderde het plein volgens De Romph van een typisch Amsterdams plein in een Nederlands plein. Ook de komst van Paradiso en de Melkweg in 1968 en 1970 toen Kouwenberg kind was, was de Melkweg nog een melkfabriek en viste hij kratjes uit de Lijnbaansgracht zijn belangrijk geweest voor de ontwikkeling van het plein in een uitgaanslocatie met nationale en internationale aantrekkingskracht.
Dankzij een progressieve houding van de gemeente, die in de jaren zeventig de auto’s uit de binnenstad wilde weren, kregen de terrassen op het Leidseplein de ruimte. De Romph: “In 1970 was dit het eerste terras van een dergelijke omvang in Nederland. Tot die tijd stonden er auto’s. Mijn vader heeft zich nog hard gemaakt voor de terrassen, maar mijn opa en de dames van café Reynders waren in eerste instantie tegen. Zelfs de horecabond heeft nog geprotesteerd, omdat ze het onverantwoord vonden dat de bediening de straat over moest steken.”

De familie De Romph op het dakterras van de woning op het Leidseplein

Dat de terrassen goed zijn voor de omzet, zullen ze niet ontkennen, maar onder de bewoners zijn de maanden januari en februari nog steeds favoriet, want dan zijn ze er niet. Dan is het plein leeg. “Dat is zo relaxed, dan kan ik mijn fiets gewoon voor de deur zetten,” zegt Kit. De rest van het jaar zet de familie De Romph de fietsen in het weekend in de bewaakte stalling naast Paradiso. Aan fietsen op het plein ergeren ze zich niet. “Ik geloof dat de gemeente het wild parkeren als een probleem ervaart, maar wat mij betreft hoort dat bij Amsterdam. Ik zie niets in de plannen voor een fietsenkelder onder het plein. De meeste Amsterdammers zijn veel te gemakzuchtig om daar gebruik van te gaan maken,” zegt Sjirk de Romph.
Nog zoiets: de taxiproblematiek. De Romph ziet niet zo veel in de plannen van de gemeente. Wat hem betreft verandert er niets. “Die problematiek hoort bij het plein. Vooral in het weekend willen veel mensen ‘s avonds laat met een taxi naar huis. Met zo veel vraag op een kleine ruimte is het onvermijdelijk dat er problemen ontstaan. Ik denk niet dat een aantal hekjes dat voorkomt.” Van vermeende agressiviteit merken de bewoners niets. Kit: “Met zoveel mensen op een kleine ruimte gebeurt er wel eens wat, maar ik zou zeker niet zeggen dat het plein onveilig is. Goed, als je problemen wilt en ze uitlokt, kun je ze hier krijgen. Maar dat geldt voor meer plekken in de stad.”
Volgens de broers ziet het plein er over een jaar of tien heel anders uit. “Het Leidseplein is continu in beweging. De komst van H&M is nog maar de eerste stap naar een ander soort plein. Ik denk dat meer grote winkelketens zich op het plein zullen vestigen. Apple komt straks in het Hirschgebouw. Wie weet wat dat teweegbrengt,” zegt Kit. Tegen de tijd dat Apple weer een nieuwe gadget op de markt heeft gebracht, zouden er zomaar rijen kunnen staan op de plek waar Henk Kouwenberg in de jaren dertig van de vorige eeuw verstoppertje speelde.

Eerder gepubliceerd op 18 juni 2011 in Het Parool (Ps vd Week)

Gerelateerde artikelen:

, , ,